Minoïsche beschaving ging ten onder in twee aardbevingen

De klassieke Minoïsche beschaving op Kreta is waarschijnlijk aan haar eind gekomen door twee verwoestende aardbevingen en niet door een enorme vloedgolf zoals de laatste jaren is aangenomen. De aardbevingen moeten rond 1700 en rond 1450 voor Christus zijn opgetreden, en ze hadden intensiteiten van 9 tot 10 op de schaal van Richter. Dat blijkt uit onderzoek van twee Italiaanse medewerkers van de Universiteit van Catania (Tectonophysics, 9 april). Aardbevingen met een intensiteit van 9 zijn verwoestend. Veel gebouwen raken zwaar beschadigd. Bij intensiteit 10 is sprake van een vernietigende aardbeving waarbij grondverplaatsingen optreden en waarbij in Nederland aanzienlijke schade aan dammen en dijken zou optreden. Dergelijke aardbevingen treden wereldwijd eenmaal per tien tot honderd jaar op.

De twee aardbevingen zijn gereconstrueerd uit de schade die gebouwen uit de Minoïsche periode vertonen. Het gaat daarbij om bekende archeologische plaatsen, Phaistos en Agia Triada. Op beide plaatsen zijn onder meer paleisachtige gebouwen door de aardbevingen verwoest. De karakteristieken van de schade wijzen op een beving die een oost-west lopende breuk zou moeten hebben veroorzaakt. Onderzoek in aangrenzende gebieden leverde inderdaad het bewijs op voor het bestaan van twee grote breuken (de Spili- en de Agia Galini-breuk), waarlangs het ene pakket zo'n 8-10 meter is afgegleden van het andere. De breuken zijn over een lengte van zo'n 50 km nog steeds goed zichtbaar als steile wanden die de topografie van het landschap in aanzienlijke mate bepalen. Uiteraard kan niet worden bewezen dat juist deze breuken zijn veroorzaakt door de aardbevingen van 1700 en 1450 voor Christus, maar ze vertonen wel alle mogelijke kenmerken die dat aannemelijk maken. Andere breuken van een dergelijke omvang die zouden kunnen samenhangen met de verwoesting van de nederzettingen van Phaistos en Agia Triada, zijn niet aangetroffen.

De breuken hangen samen met rek in de aardkorst ter plaatse (in noordoost-zuidwest richting) die ook in de laatste 50 jaar heeft geleid tot (veel kleinere) aardbevingen. Het reksysteem is een gevolg van de wijze waarop de Afrikaanse lithosfeerschol onder de Aegeïsche Zee onder de Europees/Aziatische schol wegduikt bij de voortgaande noordwaartse verschuiving van het Afrikaanse continent.

Deze duidelijke aanwijzingen voor twee grote aardbevingen die de Minoïsche beschaving hebben getroffen, zouden ook een verklaring geven voor zaken die bij vroegere verklaringen voor het verval van deze beschaving wat duister bleven. Zo was onduidelijk waarom na de grote vloedgolf omstreeks 1700 voor Christus (die een gevolg was van een explosief instorten van een vulkaan op het Griekse eiland Thera) niet alle gebouwen op min of meer gelijke wijze waren verwoest. Datzelfde geldt voor hypotheses dat de verwoesting te wijten zou zijn geweest aan invallen. Dat de vloedgolf van 1700 voor Christus grote verwoestingen heeft aangebracht, is zeer waarschijnlijk. Er waren echter twee extreem grote aardbevingen (en waarschijnlijk een reeks van kleinere) voor nodig om de uitzonderlijke Minoïsche beschaving geheel te gronde te richten.