Lijsters calibreren hun magnetisch kompas tijdens zonsondergang

Twee soorten Amerikaanse dwerglijsters blijken hun interne magnetische kompas te calibreren aan de hand van het zonlicht tijdens de zonsondergang. Dat ontdekten Amerikaanse en Duitse biologen in een veldexperiment waarbij zij de vogels tijdens hun nachtelijke trekvlucht met radiozenders volgden (Science, 16 april).

Trekvogels kunnen de sterrenhemel, de zon, het aardmagnetische veld, de polarisatierichting van het licht en omgevingskenmerken gebruiken voor hun oriëntatie. Zo spelen zij het klaar om ieder jaar na een tocht van duizenden kilometers weer op exact dezelfde broedplek terug te keren. Onderzoekers die hebben geprobeerd uit te vinden welke oriëntatiemiddelen verschillende soorten trekvogels gebruiken, kwamen vaak tot tegenstrijdige conclusies. Meestal keken zij naar de voorkeursrichting of de wegvliegrichting, maar slechts zelden werden de vogels tijdens de vlucht gevolgd.

Dat is nu wel gedaan, honderden kilometers lang. De onderzoekers brachten tijdens het experiment vooraf het magnetisch kompas van de vogels in de war door ze vlak voor hun vrijlating bloot te stellen aan een kunstmatig magnetisch veld. Daarbij was het noorden ongeveer 80 graden naar het oosten gedraaid. De vogels vlogen vervolgens weg in westelijke richting, terwijl zij normaal pal noord vliegen tijdens hun trek naar het broedgebied. In het onderzoek testten de biologen de grijswangdwerglijster (Catharus minimus) en de wat minder koersvaste dwerglijster (Catharus ustulatus). Niettemin lieten beide soorten overtuigend vergelijkbaar gedrag zien. De eerste nacht na de magnetische hersenspoeling vlogen zij nog in de verkeerde richting, maar de tweede nacht, na een gewone zonsondergang, hadden zij hun kompas goed bijgesteld en vlogen zij weer noordwaarts.

De vogels gebruiken de zonsondergang om hun magnetische kompas te calibreren, concluderen de onderzoekers, al hebben zij nog niet kunnen vaststellen of de vogels daarbij de richting waarin de zon ondergaat als referentie nemen of de polarisatierichting van het licht tijdens de zonsondergang.

Dit inzicht biedt mogelijk ook een verklaring voor het feit dat trekvogels niet in de war raken bij het passeren van de evenaar. De kompasoriëntatie van vogels vormt hier in theorie een probleem. Dat komt omdat het vogelkompas in plaats van verschil te maken tussen noord en zuid zoals een magnetisch kompas, de inclinatie (dat wil zeggen de richtingsvector) van het aardse magneetveld registreert. Op de evenaar lopen de veldlijnen van het magnetisch veld horizontaal en bovendien kan het inclinatiekompas van de vogel geen onderscheid maken tussen het noordelijk en het zuidelijk halfrond. Zonder calibratie zou een inclinatiekompas rond de evenaar dus uitermate verwarrend zijn.