Jozias van Aartsen kan nog veel leren van Hercule Poirot

Dat het verstand onder gebeurtenissen als de elfde september verbijsterd raakt, is begrijpelijk, maar het is voor een politicus geen reden om zich te laten leiden door emotionele en morele afschuw.

De rebelse Franse schrijfster Mme de Staël is beroemd gebleven dankzij haar kalenderwijsheid Tout comprendre c'est tout pardonner. Het lijkt een waarheid als een koe: wie begrip weet op te brengen voor de beweegredenen van anderen, heeft hun daden daarbij vanzelf verontschuldigd. Als wij ze kunnen begrijpen, kunnen we ze immers zelf ook doen, en daarmee staan die anderen automatisch in hun morele recht.

Sinds 11 september 2001 is het gezegde van De Staël opnieuw populair geworden, maar nu in omgekeerde richting. Omdat terrorisme het ultieme kwaad is, mag het nooit worden begrepen, want ieder begrip is een excuus, zo hield VVD-leider van Aartsen premier Balkenende enkele dagen geleden voor. Vrijwel op hetzelfde moment gaf de nieuwe Spaanse regeringsleider Zapatero tijdens zijn aantredingsdebat in Madrid dezelfde redenering ten beste en deed de Franse filosoof André Glucksmann dat in het dagblad El País.

Balkenende diende Van Aartsen van repliek door iedere suggestie van vergoelijking te verwerpen, maar liet de gedachtegang onverlet. Dat was debatstechnisch behoedzaam, maar spijtig voor de terrorismediscussie zelf. Want de redenering is niet alleen funest voor een verstandige gedachtevorming over dit urgente probleem, maar ook logisch onzinnig. Het enige excuus voor Mme de Staël is dat haar uitspraak apocrief schijnt te zijn.

Onzinnig is de stelling, omdat ze feiten verwart met moraal. Feitelijk redeneren of voelen mensen op een bepaalde manier en omdat wij die manier kunnen reconstrueren, is ze vanzelfsprekend gesanctioneerd, zo concludeert ze. Daarmee leidt ze datgene wat zou moeten zijn de facto af uit wat het geval is (in termen van de angelsaksische filosofie: ought wordt afgeleid uit is): wat mensen denken, wordt de maatstaf van wat gedacht mag worden.

Feitelijk zou dat betekenen dat moraal overbodig is geworden. Als datgene wat behoort te zijn samenvalt met de bestaande werkelijkheid, hoeven we ons slechts in die laatste te schikken om automatisch deugdzaam te zijn en valt ethiek samen met realisme. Een dergelijke anti-moraal is populair onder een bont gezelschap van sciëntisten, Nietzscheanen, Darwinisten en Hegel-aanhangers, maar wat hun argumenten ook mogen zijn, erg overtuigend hebben ze nooit willen worden.

Bij het terrorisme-excuus is de misvatting nog wat subtieler. Voorstanders van het onbegrip verwarren de rationele reconstructie van het terreurdenken met de rationaliteit van dat denken zelf. Omdat kan worden beargumenteerd dat bepaalde politieke of economische omstandigheden een voedingsbodem vormen voor Al-Qaeda, meent men dat die omstandigheden daarmee ook zelf als gewettigde argumenten voor terreur moeten gelden. Dat is een bizarre redenering, die aan de appel een vermogen tot wiskundig denken toeschrijft, omdat ze volgens de wetten van Newton van de boom valt.

Redelijk begrip van een verschijnsel valt evenmin samen met de redelijkheid van dat verschijnsel zelf, als moraal samenvalt met het feit dat bepaalde zaken nu eenmaal gebeuren. Het besluit om bij zoiets verwerpelijks als terrorisme helemaal niets meer te willen begrijpen, is dus niet alleen irrationeel, maar steekt ook een spaak in het wiel van een effectieve bestrijding daarvan.

Van Aartsen, Zapatero en Glucksmann zouden nog veel kunnen leren van een speurder als Hercule Poirot. De beste bestrijder van de misdaad is degene die zich kan verplaatsen in de criminele geest, zo legde hij boek na boek uit. Dat maakt hemzelf niet zozeer crimineel als wel rationeel en wetenschappelijk, zoals de psychologie en de criminologie al ruim een eeuw laten zien.

Dat het verstand onder gebeurtenissen als de 11de september of de 11de maart verbijsterd raakt, is begrijpelijk, maar het is voor een politicus (en voor de burger in het algemeen) geen reden om zich te laten leiden door emotionele en morele afschuw.

Het verbod op het vragen naar oorzaken veroordeelt de politiek tot een blindheid die haar alleen maar machteloos kan maken. Ook al zijn die oorzaken zelf irrationeel, politiek beladen of ongewenst, ze vormen wel de feiten waarmee het politieke bedrijf als eerste rekening te houden heeft.

Negeert men dat laatste, dan wordt terrorisme een verschijnsel dat geen oorzaak heeft omdat het dat moreel niet mag hebben. Een dergelijke visie keert terug tot het pre-moderne wereldbeeld waarin fenomenen zich `vanzelf' konden voordoen (generatio spontanea) en de filosofie nog onwetend was van de Satz vom Grund: alle dingen hebben een oorzaak. Een dergelijke politiek is uit verbijstering verward geraakt.

Zelfs dát is begrijpelijk, maar daarmee is ze nog niet verexcuseerd in haar weigering na te denken en in haar vlucht in een magisch universum.

Doceert filosofie aan de Universiteit van Antwerpen en aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Hij publiceert geregeld over filosofie, literatuur en actuele vraagstukken.