Democraten bedankt

Drie jaar na de val van Miloševic stemden de Serviërs massaal op een antidemocratische partij. Zijn ze helemaal gek geworden? `Niemand durft de Serviërs te vertellen dat we de oorlog hebben verloren.'

Het politieke toneel in Servië ligt vlak naast het riool, zo schreef nog niet zo lang geleden een Servische krant. Drie jaar geleden brak de democratie los, na vijftig jaar eenpartijstaat, na veertien jaar kleptocratie van Slobodan Miloševic, na een decennium van de ene oorlog na de andere. Eindelijk – Democratie!

Democratie? Die drie jaar zijn gedomineerd door vinnige ruzies tussen de democraten die in oktober 2000 Miloševic wipten, door wederzijdse verwijten en verdachtmakingen van partijen en politici, door de moord op een premier, een lawine van schandalen en onthullingen over ministeriële corruptie, ministeriële fraude. Ministers liepen ongegeneerd in en uit bij maffiosi, die zelf, als giftige paddestoelen, waren voortgekomen uit de geheime politie van Miloševic en uit de paramilitaire moordeskaders die in Kroatië, Bosnië en Kosovo nog menig bloedbad hebben aangericht. Ministers bezaten bedrijven die lucratieve opdrachten kregen toegeschoven. Ministers zetten de energieproductie van het land stil om van een vriendje in Londen dure importenergie te kopen. Ministers hielpen een handje bij het witwassen van maffiageld.

Democratie? Toen de democraten van toenmalig premier Zoran Djindjic ruzie kregen met de democraten van toenmalig president Vojislav Koštunica gooiden ze Koštunica's parlementariërs simpelweg uit het parlement, zonder enige wettige basis. En hoeveel besluiten van het parlement zijn ongeldig omdat ze het resultaat zijn van fraude, bij stemmingen waarbij, in strijd met de regels, de stemkaarten van afwezige parlementariërs zijn gebruikt?

In december, na drie jaar democratie, kozen de Serviërs massaal voor de uitdrukkelijk niet-democratische ultra-nationalistische Servische Radicale Partij (SRS) van Vojislav Šešelj, de Hitler van de Balkan, zoals wijlen Zoran Djindjic hem noemde, de man die ooit napalm wilde gooien op Zagreb en beloofde alle Kroaten met een roestige lepel de ogen uit te scheppen.

Zijn de Serviërs gek geworden? Leren ze het dan nooit?

,,De Serviërs zijn niet gek. De Serviërs zijn ook niet slecht. Hun elite is slecht. De hele twintigste eeuw hebben ze een slechte elite gehad: mythomaan, corrupt.'' Braca Grubacic, uitgever van het nieuwsbulletin VIP, zetelt hoog boven het Plein van de Republiek in Belgrado, het plein waar vroeger de oppositie – de democraten die nu regeren – haar bijeenkomsten hield. Hij is een van Servië's scherpste waarnemers. ,,De geschiedenis van Servië is al honderdvijftig jaar één grote ruzie tussen delen van de elite. Voeg daar tien jaar oorlog in de jaren negentig aan toe. Tien jaar hersenspoeling. Tien jaar manipulatie. Nu nog denken de Serviërs dat wij geen fouten hebben gemaakt. Niemand durft de Serviërs te vertellen dat we die oorlogen hebben verloren, dat er Serviërs zijn die oorlogsmisdaden hebben begaan en daarvoor de prijs moeten betalen, dat Kosovo verloren is en dat er géén internationale samenzwering tegen Servië is of is geweest. De democraten hebben de kans gemist. In plaats daarvan hebben ze geruzied, terwijl de gewone man honger heeft, werkloos is en blijft zitten met de vraag wie zijn geld heeft gestolen. Nu ligt alles in duigen en is het onmogelijk de scherven te lijmen.''

Interbellum

De weg naar Europa zit voor Servië vol uithollingen overdwars: het onopgeloste probleem Kosovo, het onopgeloste probleem Montenegro, de onwil met het Joegoslavië-tribunaal samen te werken. Één miljoen werklozen, 35 procent van de beroepsbevolking. Wie werkt verdient gemiddeld tweehonderd euro per maand in een land waar importspullen 30 procent duurder zijn dan in het Westen. En bijna alles is import, want Servië produceert haast niets. Bejaarden gaan net niet dood van de honger, maar met een pensioen van twee euro per dag moeten ze zich daar wel erg voor inspannen.

In december stemden de Serviërs op de Radicalen. Omdat de andere partijen die buiten de deur wilden houden zit het land nu met een coalitieregering, waarin nationalisten, radicale hervormers en monarchisten – onverenigbare segmenten van het politieke toneel – worden geacht samen te werken. Dat kunnen ze alleen als ze elkaar zo veel mogelijk ontlopen. Ministers? De minister van Economie staat dichter bij de Radicalen dan bij de democraten. De minister van Gezondheid is een toparts, maar als minister volstrekt incompetent – hij wás al eens minister van Gezondheid. De minister van Binnenlandse Zaken (en chef van de politie) is ooit, in 1982, veroordeeld wegens inbraak, maar vindt praten over dat verleden ,,smakeloos''. De minister van Justitie stuurde ooit, in 1984, mensen naar de gevangenis wegens het lezen van een boek van Vojislav Koštunica, nu zijn eigen premier, en vindt het juridisch systeem van Servië onovertroffen in de wereld – al weet iedereen hoe weinig het kost om een rechter om te kopen. De minister van Investeringen en Telecommunicatie brengt weinig meer in dan een drankprobleem en een grote mond. Hij wil Servië volplempen met snelwegen waar geen geld voor is en tabaksfabrieken waar geen behoefte aan is en vindt internet en ISDN een overbodige luxe.

Het is soms alsof Servië zich weer bevindt in het koninklijke interbellum, de jaren twintig en dertig, want ook toen lag het politieke toneel naast het riool. Op dat toneel, schrijft Slobodan Selenic in zijn roman Vaders en Voorvaders, worden gecompliceerde politieke vraagstukken teruggebracht tot vulgair, kleingeestig gekibbel. De Serviër, aldus Selenic, is niet bereid de tegenstellingen tussen individuele en gemeenschappelijke belangen efficiënt te wegen. Het streven naar macht – de Byzantijnse variant, niet beperkt door grenzen of limieten – domineert op elk niveau, van de premier tot de simpelste kantoorklerk. Politiek is ,,een snelweg, met struikrovers hurkend in elke bocht''. Politiek beoogt ook niet een concreet doel te bereiken, schrijft Selenic: ,,Joegoslavië bestaat alleen maar om partijen de kans te geven elkaar met tirades te bestoken, tot ze uitgeput zijn, of krankzinnig.''

De geschiedenis van Servië, zegt Braca Grubacic, is een geschiedenis van manipulatie. Door corrupte politici. Door een provincialistische, primitieve, antiwesterse orthodoxe kerk, die bij peilingen nota bene steevast het instituut blijkt dat de Serviërs het meest vertrouwen. Door een even nationalistische Academie van Wetenschappen. Door populisten die de Serviërs een hemel op aarde beloven zonder te zeggen hoe ze die willen bereiken, en die nochtans worden geloofd en gekozen. Grubacic: ,,De elite en de orthodoxe kerk hebben Servië vernietigd. Zij zijn bang te worden weggevaagd als Servië richting Europa gaat. Een intellectueel leven bestaat hier niet. De politiek? Alles draait om macht en geld. Nog steeds. Dus denken de mensen: als dat democratie is, dan willen we die niet.''

Slavische broeders

De Servische staatsman Nikola Pašic zei begin vorige eeuw: in Servië weegt een gram macht meer dan een kilo hersens en is een centimeter macht langer dan een kilometer recht. Geldt dat nog steeds? Rodoljub Sabic moet glimlachen. ,,Ja'', zegt hij dan. ,,Ik wil niet generaliseren, maar toch: ja, dat geldt nog steeds. Hier heeft de regering altijd de behoefte te domineren. Hier neemt ze nog altijd de wetgevende en de rechterlijke macht over.''

Sabic, lid van de sociaal-democratische partij SDP, een slanke, grijze intellectueel, trad midden vorig jaar af als minister van Lokaal Zelfbestuur. Een protest: hij trok – als een van de zeer weinigen – de consequentie uit ,,het partijenegoïsme'' en de onwil van de regerende partijen – de democraten – om de corruptie te bestrijden. Er is geen partij, zegt hij, waar dat egoïsme niet voorkomt, hier worden mensen minister omdat ze op een partijlijst staan, niet omdat ze de capaciteiten hebben. ,,En dat egoïsme is onbegrensd.''

De democraten, zegt Sabic, hebben er een puinhoop van gemaakt. A mess. En hoe die puinhoop kan worden opgeruimd is vooralsnog een raadsel: ,,Hoe kun je een bevolking duidelijk maken dat we abstracte instanties moeten opbouwen en uitleggen wat democratie is als die bevolking honger heeft? Hoe kun je naar Europa als zelfs ministers niks weten van Europese standaarden?''

Latinka Perovic is historica, een grote, struise vrouw die de winter probeert te bezweren door de verwarming in haar flat in de loeistand te zetten. Ze is al jarenlang een roepende in de woestijn, de stem van de rede, ze heeft het al jaren lang over Europese waarden en normen, ze noemt als enige misstanden misstanden – en niemand luistert.

Zij ziet de ziekte van Servië in historische termen. Al sinds de stichting van de Servische staat in het midden van de negentiende eeuw, zegt ze, is dit land het toneel van een strijd tussen twee tendenzen. De ene wil de Serviërs politiek verenigen door territoriale expansie van de staat. De andere beoogt de vorming van een realistische staat en de culturele – niet de politieke – vereniging van alle Serviërs. De eerste tendens is die van de nationale, op mythen gegrondveste ideologie. De tweede tendens is die van de Europese ideologie, van de moderne Europese staat. Honderdvijftig jaar lang hebben die twee tendenzen elkaar bevochten, zegt Latinka Perovic. En honderdvijftig jaar lang is de eerste tendens de sterkste geweest.

,,In de eerste dertig jaar van ons bestaan hebben we elke negenenhalf jaar oorlog gevoerd om de Serviërs te verenigen. In de Eerste Wereldoorlog verloor Servië een kwart van zijn bevolking. Een kwart! Van dat verlies heeft Servië zich nooit hersteld. Het resultaat van al die oorlogen was een versterking van die eerste tendens, inclusief de dominering van het leger, een orthodoxe kerk die niet van de staat was gescheiden, een heldencultus en een doodscultus.''

De negentiende eeuw en de eerste twee decennia van de twintigste hebben de Serviërs maar aan één ding gedacht: de onafhankelijkheid, die van henzelf en die van hun Slavische broeders. Een heilige plicht was dat, die bevrijding van de broeders, de Kroaten die zuchtten onder het Hongaarse juk, de Slovenen en de Bosniërs die zuchtten onder het Oostenrijkse juk, de Slaven in Kosovo en Macedonië die nog zuchtten onder het Turkse juk.

Zelf overleefde Servië onder de Turken eeuw na eeuw door oude mythen te cultiveren, heldendichten door te geven, van generatie op generatie. De slag op het Merelveld. Verhalen van heldendom, dood en verraad, van ondergang. ,,De beenderen van onze voorvaders kijken naar ons vanuit hun graf'', laat Slobodan Selenic in Vaders en Voorvaders een vader tegen zijn zoon zeggen. De helden van die zoon zijn de helden die zonder compromis sneuvelen, mensen als Zeka Buljubaša en zijn zonen, die de Turken bevechten tot hun kruit op is, en dan hun messen trekken om zich vervolgens ,,na een laatste blik op de bewolkte hemel boven Servië, over de prachtige vlakten van Macka, en over de Drina heen naar het trotse Bosnië'', dood te vechten. Het leven was hard, voor de Serviërs, eeuwenlang, maar omdat het hard was, was het glorieus. Onder het Turkse juk vormden legenden en mythen en gedichten, eeuw in, eeuw uit, ,,een waterdichte morele orde'', zo schrijft Selenic. De bril waardoor de Serviërs zichzelf en hun wereld zagen. En in veel gevallen nog steeds zien.

Die vereniging van de Slaven lukte, want na de Eerste Wereldoorlog werd een Joegoslavisch koninkrijk gevormd, het land van Nikola Pašic. De Serviërs zagen het als `hun' staat: hadden ze niet een kwart van de bevolking geofferd om de broedervolken te bevrijden? Ze verdienden de hegemonie waarover ze in die staat beschikten. Die andere volken, vooral de Kroaten en de Slovenen, dachten daar anders over, zij waren die staat ingegaan met de verwachting dat het een federale staat zou gaan worden, geen centralistische, door de Serviërs, door Belgrado gedomineerde staat. Het land verzandde uiteindelijk in een koninklijke dictatuur, politieke aanslagen, een koningsmoord, etnische ruzies.

Verraad

In de Tweede Wereldoorlog werd de samenleving wéér volledig vernietigd en verloor Servië een kwart van zijn mannelijke bevolking. Op de puinhopen bouwde Tito een Joegoslavische federatie die de Serviërs niet wensten, omdat de andere republieken gelijke rechten kregen, en omdat ze niet overeenkwam met die tendens van de politieke vereniging van alle Serviërs en vooral omdat Tito geen consequenties verbond aan hun opofferingen, hun heldendom, de beenderen van hun voorvaders. In Tito's staat verloren de Serviërs wat ze in het interbellum hadden gehad.

Het leidde tot ruim veertig jaar Servische frustratie, die een climax bereikte na 1974, toen zelfs de Kosovaarse Albanezen de facto evenveel rechten kregen als de Serviërs. De frustratie werd uiteindelijk na 1986 door Slobodan Miloševic ontdekt en gemanipuleerd. Hij zette haar om in pure, onaantastbare macht. Perovic: ,,Hij gaf de Serviërs het idee dat na 150 jaar eindelijk, eindelijk de tijd was gekomen voor de historische vereniging van de Serviërs.'' En hij was de leider die dat kon bereiken, hij was de prins Lazar van de mythe van het Merelveld, en als zodanig werd hij gesteund en vereerd, door het gewone volk, maar ook door de intellectuelen, door de Kerk, en door het leger.

Het leger had en heeft in het patriarchale Servië een status als nergens anders, het leger is de ruggengraat van het land, het leger heeft altijd gevochten voor de vereniging van alle Serviërs. Al die offers, al die beenderen: het leger. Ratko Mladic staat in het Servië van nu als held ver boven Slobodan Miloševic of Radovan Karadzic. Het leger is boven twijfel verheven. Het is onaantastbaar. Officieren zijn helden. Zij worden gecultiveerd en zij koesteren hun status. Het uitleveren van een officier aan het Joegoslavië-tribunaal doet honderd keer meer pijn dan het uitleveren van een burger. De ouderen onder die officieren vereren Ratko Mladic en Slobodan Miloševic en haten Europa, net zoals ze Zoran Djindjic haatten als een verrader, die Servische helden aan het tribunaal verkocht, voor Amerikaanse kredieten. De honderdduizend nog levende veteranen uit de Tweede Wereldoorlog, Tito's partizanen, genieten verhoudingsgewijs kolossale pensioenen, groter dan ministerssalarissen, krijgen kortingen en voorrang waar ze ook gaan en gedragen zich al een halve eeuw met een arrogantie die in veel gevallen geen grenzen kent. In een wachtkamer zal een veteraan niet gaan zitten: hij loopt door. Iedereen weet dat Servië zich die kolossale pensioenen niet kan permitteren, maar aantasting van de peperdure voorrechten van de veteranen is in Servië onbespreekbaar, een taboe. De winnende tendens in de Servische geschiedenis is intens conservatief. Nog een citaat uit Selenic' Vaders en Voorvaders: ,,Zij is een Servische omdat ze niet in staat is te veranderen.''

De afloop, de voorlopige afloop, is bekend: in de jaren negentig leidde het ononderbroken streven naar nationale vereniging tot oorlogen, oorlogsmisdaden, vluchtelingen, sociale deprivatie, criminele structuren dwars door politiek en samenleving, een brain drain door het vertrek van Serviërs met hersens, internationale sancties, internationale interventie, isolement. En nauwelijks was Miloševic eindelijk ten val gebracht, of de enige man die die eeuwig zegevierende tendens van territoriale vereniging van alle Serviërs een nederlaag kon toebrengen, de enige man die die vernietigende cyclus kon doorbreken, premier Zoran Djindjic, werd vermoord.

Die fatale tendens zal voorlopig blijven winnen, zegt Latinka Perovic, omdat er na de dood van Djindjic geen tegenwicht meer is. Dat tegenwicht zou kunnen heten: privatisering, lokale initiatieven, burgerrechtbewegingen, een stedelijke elite, een civil society, experts, hier en daar een kleine partij. Zij zijn de ongeorganiseerde embryo's van de europeanisering van Servië. De embryo's van de tweede tendens: Servië als moderne staat in Europa. ,,We moeten na 150 jaar in de spiegel kijken en een keus maken: wat willen we?'' Maar ook Latinka Perovic weet dat die embryo's van de europeanisering voorlopig geen stem hebben, of een stem die zo zwak en nietig is dat niemand hem hoort. Embryo's hebben tijd nodig. En Servië heeft geen tijd, kan niet wachten tot de jeugd oud genoeg is om een stem te hebben die luider klinkt dan die van de orthodoxe kerk, de Academie van Wetenschappen en de populisten. ,,Ik weet het. Djindjic kon het bereiken. De moord op Djindjic is voor mij dé historisiche gebeurtenis van Servië.''

De minister van Binnenlandse Zaken is ooit veroordeeld wegens inbraak

De minister van Investeringen brengt weinig meer in dan een drankprobleem

De minister van Gezondheid is een toparts, maar als minister incompetent