De Tweede Koude Oorlog

Ik ben een kind van de koude oorlog. Maar anders dan de `kinderen van de oorlog', van NSB'ers, verzetsstrijders of joden, heb ik gelukkig geen trauma omdat mijn vader fout was of mijn ouders zijn omgekomen. Nee, ik ben hooguit gefixeerd. Ik bezie de hedendaagse wereld namelijk nog steeds vanuit het perspectief van de Koude Oorlog. Zo vraag ik me wel eens af of we niet aan het begin staan van een Tweede Koude Oorlog. In zakformaat wel te verstaan.

Sinds de aanslag op de Twin Towers zijn we nerveus, gespannen. Aanvaringen, misverstanden, conflicten tussen de Arabische en de westerse cultuur, tussen de Marokkaanse en Nederlandse cultuur. De vrijheid van meningsuiting in het geding. Het besef dat de vijand overal kan zitten, ook in onze multiculturele samenleving. Een gemankeerd debat. De affaire-Cliteur. Een columnist die zich terugtrekt vanwege de verbale dreiging van oud-links in de personen van onder anderen Marcel van Dam, en Jacques Wallage. En niet te vergeten Thijs Wöltgens, die vindt dat we in een racistische maatschappij leven. Overdrijving? Misschien. Maar het huidige standpunt van de PvdA inzake de multiculturele samenleving zou tien jaar geleden door haarzelf zonder meer als racistisch zijn bestempeld. De stemmen klinken opgewonden, hysterisch. Afgelopen week was er een aanvaring in de Kamer waarbij VVD-fractieleider Van Aartsen premier Balkenende verweet te veel begrip te hebben voor de terreur. Of liever gezegd voor de omstandigheden waaronder de terreur plaatsvindt.

De geschiedenis herhaalt zich nooit. Maar toch zie ik opvallend veel overeenkomsten met de eerste Koude Oorlog. Er is een Rijk van het Kwaad dat opdringt, niet door middel van gebiedsuitbreiding, zoals de toenmalige Sovjet-Unie, maar met terreuraanslagen. Het probeert zijn ideologie, zijn hemelse heilsverwachting, via een wereldwijd expansionisme te verbreiden, zoals de communisten dat poogden met hun aardse paradijs. En er zijn blijkbaar handlangers, sommige Arabische immigranten, die bereid zijn offers te brengen door zelfmoordaanslagen te plegen. In de jaren vijftig waren sommige communisten bereid illegaal werk te verrichten, om nutsbedrijven te saboteren als de Rus erom zou vragen. Kortom, een Vijfde Colonne die de bevolking nerveus maakte.

Daadwerkelijk gebeurde er in Nederland weinig. Maar het was de dreiging. Grote gebeurtenissen in het buitenland waren voldoende om de zaak binnenlands op scherp te zetten. Zoals de communistische coup in Praag (1948), de Korea-oorlog (1950), het neerslaan van de Hongaarse opstand door het sovjetleger (1956). De angst was zo groot dat sommigen zich bewapenden, vluchtplannen maakten of emigreerden naar veiliger oorden. (Is het wellicht een signaal dat er in 2003 voor het eerst sinds lange tijd weer sprake was van een emigratie-overschot?)

De Nederlandse communisten waren de gebeten hond en werden te vuur en te zwaard bestreden door katholieken, protestanten en sociaal-democraten. PvdA-voorman Koos Vorrink noemde hen verachtelijke papegaaien van het Kremlin. En Herstel, het tweewekelijkse orgaan van de Katholieke Arbeidersbeweging, vond het communisme nog verwerpelijker dan het nationaal-socialisme. Het communisme leeft bij stank en walm, het bloeit op de mestvaalt van onze samenleving. Stakingen van de Vijfde Colonne zouden Nederland ontregelen, de weg plaveien voor de vijand. En zodra de Russische beer misselijk is van de turf, trekt het monster zich uit het veengebied terug om zich op een andere prooi te werpen.

Kamerleden van de CPN werden onder curatele gesteld. Uitgesloten van de Kamercommissies, eerst van Defensie en Buitenlandse Zaken, later ook van Indische Zaken en Handelspolitieke Aangelegenheden. En als ze het woord hadden genomen in de Kamer, weigerde het personeel van de Staatsdrukkerij de desbetreffende Kamerstukken te drukken. CPN-leden werden onderworpen aan een ambtenarenverbod. Adverteren kon de partij slechts in haar lijfblad De Waarheid. En radiozendtijd ten bate van de verkiezingen werd haar onthouden.

Zelfs een nationale gebeurtenis als de watersnoodramp van februari 1953 maakte nog hysterische, koude-oorlogsgevoelens wakker. Klaas Voskuil, hoofdredacteur van Het Vrije Volk, het dagblad van de PvdA, vergeleek de communisten met bisamratten, gevaarlijke woeldieren die gaten in dijken graven en de weerstand verzwakken.

De Koude Oorlog had zich in alle hoeken van het dagelijks leven genesteld. De vooral onderhuidse spanning kwam toen de Hongaarse opstand uitbrak. Een klein land, een dapper volkje had het gedurfd om de Russische beer uit te dagen. Bewondering alom. En wee degene die het aandurfde kanttekeningen te plaatsen. Evert Vermeer, de voorzitter van de PvdA, riep tijdens een demonstratie in Amsterdam zijn gehoor toe: mannen en vrouwen van deze stad, rekent af met dit gif, het is een gevaar voor de democratie. Met dat gif doelde hij op de zogeheten derdeweggers, degenen die zich niet klakkeloos wensten te conformeren aan de opgeklopte woede van de massa. Want dat was duidelijk, voor nuances was geen plaats. Zwart of wit, andere kleuren bestonden niet.

Op 4 november 1956, nadat de Russen de Hongaarse volksopstand in bloed hadden gesmoord, werden in Nederland partijgebouwen bestormd, huizen van bekende CPN'ers aangevallen. Het was een wonder dat er geen doden vielen. De hysterie zwol aan. Een concert van het Zaans Mannenkoor kon niet doorgaan omdat het Russische lied De twaalf rovers op het repertoire stond. Communistische schrijvers als Theun de Vries werden uit hun beroepsorganisatie gegooid na ellenlange, onverkwikkelijke vergaderingen. Een pogrom op intellectueel vlak, een hetze à la McCarthy, vond hij. Dapper doen zonder risico te lopen, noemde de schrijver J.B. Charles het gedrag van de verontwaardigde meerderheid. En je hoorde hem denken: hadden ze tijdens de oorlog maar zo dapper gereageerd! Politici probeerden elkaar af te troeven met emoties. Journalisten vergaten hun professionele cynisme. Gevolg: een spontane gelijkschakeling van de media in hun afkeer van de binnenlandse vijand.

Dat zal ons niet gauw meer gebeuren, denken we. Nee, we zijn een nuchter volkje. Hysterie is ons vreemd, denken we. Maar een open debat over de multiculturele samenleving kunnen we niet eens voeren. Eerst probeerde een meerderheid een minderheid het zwijgen op te leggen door het immigratievraagstuk taboe te verklaren. Indachtig de verzuiling sloten we elkaar het liefste op in denkbeeldige hokjes zonder van gedachten te hoeven wisselen. En nu de geest uit de fles is, lijkt de maatvoering zoek. Rechts-conservatief reageert overgevoelig, moet duidelijk nog wennen aan het licht. En links geërgerd, verstoord in haar zelfgenoegzaamheid. Maar een Tweede Koude Oorlog? Ik moet natuurlijk niet overdrijven.