De nonchalance van het CDA

Het integratievraagstuk verdeelt ons en appelleert aan ons bezinningsvermogen. Nederland moet zich bezinnen op zijn grondslagen, namelijk de algemene beginselen die het met zijn burgers verenigt en begrenst. Andere Europese landen moeten zich ook buigen over deze existentiële vraag, die richtinggevend is voor de toekomst.

Zo heeft de Franse Stasi-commissie in opdracht van president Chirac onderzocht hoe de overheid moet reageren op opzichtige politieke en godsdienstige tekens en kleding. Het rapport van deze commissie is gebaseerd op een omvangrijke studie in en buiten Frankrijk. De commissie schrijft onder andere in haar rapport: ,,Laïcité omvat meer dan alleen neutraliteit van de staat. Eerbied, waarborgen, verplichtingen en samenleven zijn de voornaamste pijlers ervan, die een geheel van rechten en plichten vormen voor de staat, de religies en de burgers.''

Hier zien we hoe de Fransen op een ambachtelijk filosofische wijze de kern van de rechtsstatelijkheid aan de orde stellen. De commissie maakt immers een onderscheid tussen de staat, de religies en de burgers. De principes van seculiere rechtsstatelijkheid worden vaak ten onrechte verward met het atheïsme. Een democratische rechtsstaat kan noch atheïstisch noch godsdienstig gefundeerd zijn.

Een staat met het atheïsme als ideologische uitgangspunt is in strijd met het principe van staatsneutraliteit en het open karakter van een democratische samenleving. Bovendien eindigde het staatsatheïsme als ideologie in een totalitaire vorm: de Sovjet-Unie.

De seculiere staat is dus geen bedreiging voor de religie, maar juist de waarborg voor de onafhankelijkheid ervan binnen de grenzen van de wet. Desalniettemin komen we bij een debat over de plaats van de islam in de Nederlandse samenleving vaak ultra-gevoeligheden tegen bij het CDA. De houding van deze partij wordt ook langzamerhand irritant. Daarbij is het CDA in dit debat tegenstrijdig en onduidelijk. Premier Balkenende is gelukkig tegen de vorming van een islamitische zuil. En minister Donner reageerde in een gesprek met Janny Groen (de Volkskrant) als volgt op de vraag of moslims, net als vroeger protestanten en katholieken, via een zuil moeten emanciperen: ,,Zuilen werkten zolang we er meer van hadden. Maar één zuil in een inmiddels kaalgeslagen landschap, dat is wederzijds bedreigend.'' Dit zijn wijze en bedachtzame woorden. Kennelijk ziet Donner de vorming van een islamitische zuil als een bedreiging zowel voor de mensen die niet tot die zuil behoren, als voor de moslims zelf. Het heeft er alle schijn van dat het CDA afstand wil nemen van de inburgering via zuilvorming. Maar schijn bedriegt. Want in hetzelfde interview over de islamitische scholen zegt Donner: ,,Via de inspectie hebben we genoeg kansen tot controle en bijsturing. De overheid heeft op deze wijze ook altijd de controle uitgeoefend over het bijzonder onderwijs.'' Hieruit blijkt dat het CDA niet van plan is om de vorming van een islamitische zuil (waaronder de islamitische scholen vallen) te verhinderen. Het protestantse CDA van Donner is inmiddels een onderdeel van het probleem ten aanzien van integratie en een bezinning op de grondslagen van de samenleving. De handelwijze van het CDA is ronduit onverantwoord en belemmert de integratie. Nu hebben we ruim 40 islamitische scholen, maar volgens een opiniepeiling willen de moslims er nog liefst 120 islamitische scholen bij. We zijn nu behoorlijk op weg om, zoals de Talibaan, islamitische scholen op te richten. Maar in de meeste islamitische landen zijn islamitische scholen niet gebruikelijk en allerminst onproblematisch.

Het wordt allemaal nog erger wanneer Maria van der Hoeven, de minister van Onderwijs, luidruchtig verkondigt dat zij het actief planmatig bestrijden van de etnische tweedeling in het onderwijs in ieder geval niet als haar roeping ziet. De conclusie luidt: men mag ongestoord bouwen aan die dreigende islamitische zuil en de CDA-bewindspersonen willen het óók niet tegengaan.

Het CDA wil dus onze kinderen opzadelen met werkelijk onoplosbare conflicten en problemen. Op die manier komt aan het woord apartheid, gezien de recente opmerkingen van Hirsi Ali (waarvoor zij later aan het TweedeKamerlid Mirjam Sterk (CDA) excuses zou aanbieden), een bijzondere betekenis toe. Natuurlijk is het CDA niet voor een geïnstitutionaliseerde vorm van apartheid, maar ze zijn wel voor een geïnstitutionaliseerd gedoogbeleid jegens de steeds toenemende feitelijke apartheid. Het CDA is niet voor apartheid zoals zij ook niet voor hasjgebruik of de koffieshop is. Deze vorm van dubbele moraal, namelijk geen zuil maar wél feitelijke apartheid, is te wijten aan het christen-democratische cliëntelisme. Want de politieke leider van het CDA wil in geen geval de gereformeerde achterban en christelijke lobbyisten voor het hoofd stoten. Deze christelijke cliëntelisten offeren het algemeen belang op aan het particuliere belang van een te verwaarlozen minderheid.

Als het CDA zo nonchalant doorgaat met het bezwaren van de toekomst van Nederland, dan zijn het juist Mirjam Sterk en andere cliëntelisten die de toekomstige burgers ruimhartig hun excuses moeten aanbieden.

Wanneer we zien dat de toepassing van artikel 23 van de Grondwet onoplosbare strijdigheden oplevert met andere grondrechten of de vorming van de sociale cohesie belemmert, dan rijst de vraag of dit grondwetsartikel niet moet worden gewijzigd. Bovendien hebben we hier een groot probleem, met of zonder politieke islam. Immers, de islam als grondslag van vele (rechts)culturen bevat voorschriften die neerkomen op schending van de mensenrechten (onder meer de positie van de vrouw en het strafrecht). In het onderwijs moet dus geen ruimte zijn voor het koranische geklets over de jihad, vrouwenmishandeling en familierechtelijke ongelijkheid.

Protestantse broeders, spitst uw oren: de democratische dag des oordeels komt sneller en genadelozer aan dan die van de Here Christus. Vreest het nabije oordeel van de burgers en niet het laatste barmhartige oordeel. Amen.