Waarborg de veelzijdigheid

Aanstaande maandag april presenteert de Raad voor Cultuur zijn advies voor het kunstenplan 2005-2008. Het Cultureel Supplement voorziet staatssecretaris Medy van der Laan van vooradviezen. Slotaflevering: de beeldende kunst.

Geachte mevrouw Van der Laan,

Het gaat goed met de beeldende kunst in Nederland. De instellingen – musea, kunstcentra enzovoort – en de productie van kunst vertonen vitaliteit en een grote mate aan diversiteit. Ook de fondsen die verantwoordelijk zijn voor de stimulering van de beeldende kunst, waarvan de belangrijkste het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (Fonds BKVB) en de Mondriaanstichting zijn, functioneren over het algemeen goed. Dat concludeert de Raad voor Cultuur in zijn vooradvies voor de komende Cultuurnota. Hij stelt dan ook dat radicale beleidswijzigingen niet op hun plaats zijn.

De Raad heeft gelijk. De Nederlandse hedendaagse kunst is inderdaad rijkgeschakeerd en van een goed niveau, ook vergeleken met beeldende kunst in het buitenland. De fondsen doen het helemaal niet slecht. En ons land telt maar liefst 900 musea, op allerlei uiteenlopende gebieden. Van deze musea zijn de kunstmusea verreweg het populairst: zij trekken bijna eenderde van alle bezoekers, terwijl zij maar een achtste van het totale aanbod uitmaken. De kunstmusea melden het ene bezoekersrecord na het andere. Tussen 1997 en 2001 zijn hun bezoekersaantallen verdubbeld van drie naar ruim zes miljoen. Een derde van alle Nederlanders bezoekt jaarlijks een museum. Dit is allemaal prachtig. Toch laat dit goede nieuws maar één kant van het verhaal zien. Het is de zorg van de samenleving en van de overheid dat een veelheid aan artistieke expressies tot stand kan komen en gewaarborgd wordt. Maar die pluriformiteit en de vrijheid waarin kunstenaars hun werk kunnen voortbrengen, staan onder grote druk.

U heeft aangegeven dat u afstand neemt van de dwingende cultuurpolitiek van uw voorgangers Nuis en Van der Ploeg, en dat u, in inhoudelijk opzicht, een terughoudend beleid wilt voeren. Dit stemt hoopvol en uw standpunt getuigt van respect voor de kunstwereld en voor diegenen die daarin een actieve rol spelen. Maar u bent tegelijkertijd de eerste staatssecretaris van Cultuur die moet bezuinigen op kunst: u moet 19 miljoen euro per jaar inleveren. Daarbij overstijgt het totaal van de subsidieaanvragen voor de komende beleidsperiode uw budget met meer dan de helft. Uw rijksbegroting bedraagt 392 miljoen euro, terwijl er voor 655.878.043 euro is aangevraagd. Het is uw voornemen om de producenten van kunst (toneelspelers, musici, beeldende kunstenaars) zoveel mogelijk te sparen en de bezuinigingen in de eerste plaats te halen uit de `wereld van de institutionele overhead'. Ook dat is honorabel. Maar het zal lang niet genoeg opleveren, zodat ook u niet zal ontkomen aan ingrijpende beslissingen die vèrgaande consequenties zullen hebben, consequenties die veel verder reiken dan vier jaar. Hier ligt een groot probleem. Want het ontbreekt de overheid aan een samenhangende visie op onze cultuur. Er bestaat geen inhoudelijk en duidelijk beargumenteerd beleidsplan voor kunst en cultuur, laat staan dat er een visie is die geldig kan zijn voor een langere termijn.

Dit maakt de kunst zeer kwetsbaar, zeker nu de economische rendementsgedachte meer en meer grip krijgt op de cultuur. Ook de Raad signaleert dit in haar vooradvies en wijst erop dat een rijk en breed geschakeerd cultureel bestel niet kan worden beargumenteerd of gelegitimeerd vanuit materieel rendement, effectiviteit of efficiency. Een samenhangende visie, die de kwaliteit en gedifferentieerdheid van kunst en cultuur beschermt en koestert, is broodnodig. De gevolgen van de economisering, of, anders gezegd, van de terreur van de kwantiteit, zijn inmiddels overal zichtbaar.

Pretevenementen

Om te beginnen met de musea: de indrukwekkende bezoekersaantallen krijgen een heel andere betekenis wanneer men bedenkt dat de spectaculaire groei beperkt blijft tot de 38 grootste musea. Sinds het begin van de jaren negentig heeft het totale aantal museumbezoekers zich gestabiliseerd rond de 20 miljoen. Met andere woorden, de overige musea worden gestaag minder bezocht. Bovendien, zo blijkt, bestaat de toename van de bezoekersaantallen voor het grootste deel uit mensen die het museum eenmalig bezoeken, tijdens de museumnacht of een vergelijkbaar evenement. Blockbusters en pretevenementen zijn natuurlijk goed voor de kaartverkoop. Maar de musea zijn niet in staat om een nieuw publiek aan te boren dat ook loyaal is en vaker het museum bezoekt. Het is positief dat de overheid veel aandacht heeft voor cultuuronderwijs aan jongeren, maar de volwasseneneducatie blijft hier ver bij achter. Musea zouden een trouw publiek moeten creëren met een beleid dat de eigen collectie tot uitgangspunt heeft. Door de noodzaak om te concurreren met andere vrijetijds-evenementen verdwijnt de aandacht voor de eigen collectie, het onderzoek daarnaar, het ontwikkelen van nieuwe inzichten en het maken van een tentoonstellingsbeleid op basis daarvan, naar de achtergrond. Het Nederlandse museumbeleid, de goede uitzonderingen niet te na gesproken, is in de afgelopen jaren ernstig vervlakt en soms niet meer te onderscheiden van vluchtig entertainment.

De kwestie van het Stedelijk Museum kan hier niet onvermeld blijven, ook al valt dit museum strikt genomen niet onder uw verantwoordelijkheid. Ik wil u vragen om een keer over het Museumplein te lopen en de achterkant van het Stedelijk te bekijken. Het is verschrikkelijk. Het museum is een verwaarloosde ruïne, het ligt erbij als een lijk, geblindeerd en dichtgetimmerd. De hekken rondom wat ooit de museumtuin was roepen associaties op met een gifbelt. Het is onvoorstelbaar dat het zo ver heeft kunnen komen. De landelijke overheid zou zich dit aan moeten trekken. Dit museum, met zijn roemrijke geschiedenis en met een collectie die van een grote internationale allure is, verdient de bescherming van het rijk. Het rijk heeft tot dusverre 5 miljoen euro toegezegd, wat eerlijk gezegd peanuts is – zeker vergeleken met de vorstelijke bedragen die worden uitgekeerd aan het Rijksmuseum. Zeker, het tentoonstellingsbeleid van de laatste directeur is medeverantwoordelijk voor de teloorgang. En de gemeente Amsterdam heeft keer op keer, decennialang, laten blijken de verantwoordelijkheid voor 's lands belangrijkste museum voor moderne kunst niet aan te kunnen. Het Stedelijk heeft dankzij zijn collectie en geschiedenis nog steeds de potentie om terug te komen op de wereldkaart. Maar dat kan alleen met een ruimhartige steun van vele partijen, waartoe ook – en misschien wel, na alle debacles, in de eerste plaats – de landelijke overheid behoort. Het rijk kan en mag zich eenvoudigweg niet aan deze verantwoordelijkheid onttrekken.

Niet alleen van de musea, ook van de beeldende kunstenaars is, met name door uw voorganger Rick van der Ploeg, geëist dat zij zich als zakelijke ondernemers gedragen. De politiek vraagt om rendement, toepasbaarheid, efficiëntie, ook van kunstenaars. Terecht stelde u, in uw toespraak in de Westergasfabriek in januari van dit jaar: ,,Kunst is geen kostenpost, maar een verrijking voor de economie en dus een investering dubbel en dwars waard.'' En eerder schreef u: ,,De kwaliteit van kunst komt alleen tot zijn recht wanneer zij in vrijheid kan gedijen.''

Zo is het. Voor kunstenaars houdt dit in dat zij hun werk onmogelijk kunnen ontwikkelen wanneer zij niet de gelegenheid hebben om zich af en toe terug te trekken in het atelier (of waar dan ook). Voor het creatieve proces is de onbestemde ruimte, een plek waar je niemand hoeft toe te laten, onontbeerlijk. In de kunst gaat het niet om een meetbaar product en evenmin om direct belang of nut, maar om het scheppen van een vrijplaats.

Daarom is het te betreuren dat het rendementsdenken nu ook bepalend wordt voor het beleid van de individuele subsidies, voor de uitvoering waarvan het Fonds BKVB verantwoordelijk is. Er heeft, onder druk van de politiek en van de Algemene Rekenkamer, een verschuiving plaatsgevonden van het werkbeurzensysteem, waarbij (onder bepaalde strikte voorwaarden) aan de kunstenaar een `lump sum' wordt uitgekeerd waarvan hij zelf mag bepalen wat hij er mee doet, naar het systeem van de projectsubsidies. Met ingang van volgend jaar worden de werkbeurzen afgeschaft. De projectsubsidie is, zoals de term al zegt, maatwerk, waarbij de kunstenaar nauwkeurig moet aangeven wat hij met ontvangen geld gaat doen en, achteraf, gedaan heeft. Het is een vorm van financiële verantwoording afleggen, met begrotingen en offertes vooraf en een afrekening achteraf. Deze subsidievorm dwingt tot een rationalisering van het creatieve proces waar de aanvrager op het moment dat hij het geld nodig heeft meestal nog niet aan toe is. Voor de kunst betekent dit een verder verlies aan tijd en stilte en aandachtige toewijding waaraan in onze maatschappij toch al een grote schaarste is.

Artrose

Ten slotte het onderwijs. Vier tweedefaseopleidingen vallen onder uw verantwoordelijkheid: Ateliers, het Europees Keramisch Werkcentrum, de Jan van Eyck Academie en de Rijks Akademie. De financiële ondersteuning van deze vier postacademische instellingen is, in vergelijking met de andere tweedefaseopleidingen (in totaal acht) die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Onderwijs vallen, onevenredig groot. Ook zal u inmiddels ter ore zijn gekomen dat de fameuze geslotenheid van Ateliers zich tegen zichzelf heeft gekeerd en dat dit instituut al lange tijd aan artrose lijdt. Overigens is het werkplaatsmodel waar Ateliers in 1963 mee begonnen is, op succesvolle wijze door de andere instellingen gekopieerd.

Maar het is zinloos om tot een herverdeling van gelden over deze instellingen te komen door hun profielen met elkaar te vergelijken. Dergelijke beslissingen kunnen niet worden genomen zonder het kunstonderwijs in zijn geheel bij het beleid te betrekken. In het onderwijs aan de kunstacademies doen zich grote problemen voor die het gevolg zijn van de hbo-wet. Deze wet komt er kortgezegd op neer dat kwantiteit beloond wordt en kwaliteit beboet. Hogescholen worden immers beoordeeld en gehonoreerd naar het aantal afgestudeerde studenten. Het wordt dus onmogelijk om studenten, nadat ze eenmaal de propedeuse hebben behaald, in een latere fase nog af te wijzen.

Dit is een praktijk die onverenigbaar is met het kunstonderwijs, dat een heel ander karakter en een heel andere grondslag heeft dan de rest van het hbo-onderwijs. Zo doet zich nu de situatie voor dat kunstacademies waarvan algemeen bekend is dat ze van zeer middelmatig niveau zijn, beloond worden omdat er grote aantallen studenten afstuderen, terwijl strenge academies worden afgerekend op hun hoge kwaliteitseisen. De tweede fase wordt in toenemende mate een compensatie voor de uitholling van de eerste fase. Natuurlijk was dat nooit zo bedoeld. Mijn laatste ongevraagde advies aan u is dus: ga in discussie met de minister van Onderwijs over het kunstonderwijs in zijn geheel en stem daar vervolgens uw beslissing over de vervolgopleidingen op af. De door u gesubsidieerde instellingen spelen een heel belangrijke en stimulerende rol in het Nederlandse kunstklimaat, en het is van groot belang dat ze dat ook in de toekomst blijven doen. Dat kan alleen wanneer de kwaliteit van het onderwijs aan de kunstacademies, anders dan nu het geval is, gewaarborgd wordt.