Spring toch nooit te hoog

De strijd tegen `degeneratie' lijkt in België met veel meer vuur te zijn gestreden dan elders, zo leert een indrukwekkende bundel. Alle bedreigingen voor de volksaard kwamen samen in de kroeg.

Met Origin of species (1859) gooide Charles Darwin een steen in de vijver van de overzichtelijkheid van ons universum. De achttiende eeuw had nog de illusie de wereld te kunnen overzien – in die zin is de Encyclopédie van D'Alembert en Diderot een stralend symbool. Darwin stelde de werkelijkheid echter voor als een dynamische omgeving waarin voortdurend alles in verandering was en van elk organisme alleen de sterkste exemplaren konden overleven, ook bij de mens. Het negentiende-eeuwse burgerlijk establishment in België nam bezorgd kennis van Darwins theorieën. Niet iedereen was sterk. Wat te denken van de invloed van zwakken, zieken en misselijken? Zoals daar bijvoorbeeld waren de lijders aan drankzucht, tering, druipaandoeningen, of sjankers? Over genoemde bezorgdheid gaat de indrukwekkende bundeling van artikelen die Jo Tollebeek, Geert Vanpaemel en Kaat Wils samenstelden, onder de aansprekende titel Degeneratie in België.

Zoals Nederland na de val van Napoleon een sterke behoefte had om als volk weer op eigen benen te staan, leefde ook in België na de afscheiding van de noordelijke Nederlanden in 1831 de onderscheidingsdrift. Men probeerde zich als beschaafd, wetenschappelijk en zedelijk volk op de kaart te zetten. Je kunt je dus voorstellen dat de steen van Darwin grote deining veroorzaakte in juist de Belgische vijver. Slechts de fittest waren in staat tot survival. Maar de anderen? Wat moest je daar mee doen, om ze het ganse volk niet mee te laten slepen naar de ondergang? En hoe vond je ze?

Verschillende onderzoeken werden ingesteld, die zich steeds meer toespitsten op drie `plagen': alcoholisme, tuberculose en syfilis, met als gemeenschappelijke broedplaats de kroeg. Tollebeek c.s. citeren in dit verband een prachtig briefje uit 1877 dat ze uit het Leuvense stadsarchief opduikelden: `Mijnheer de Burgemeester, Ik ben onlangs voor zaken naar Leuven geweest. Ik ben in een café binnengegaan genaamd Chateau-de-fleurs op de hoek van de Burgemeesterstraat om een glas te drinken. Een vrouw die ik niet ken vroeg me haar glas te betalen. Daarna heeft ze me naar een kleine kamer meegenomen. Ik was een beetje dronken en ze heeft van mijn zwakheid geprofiteerd om me met haar naar bed te laten gaan. Daardoor heb ik een geslachtsziekte opgelopen. Dat is heel erg voor mij want ik ben getrouwd en durf het mijn vrouw niet te vertellen. Ik heb er met mijn vriend over gesproken en hij heeft me verteld dat hij dezelfde ziekte in hetzelfde huis heeft opgelopen. Ze hebben me door een achterdeur meegenomen. De vrouw des huizes is een kleine blondine. Ik verzoek u alstublieft in dat grote ongelukkige huis arrestaties te doen alstublieft alstublieft.'

Luchtverversing

Twee plagen zijn hiermee aangesneden – drank en geslachtsziekte. En de tbc? De Luikse arts Alfred Bienfait verklaarde het zo: de geringe luchtverversing in het café en de vele fluimen op de grond zorgden voor een snelle verspreiding van de ziekte. Zo had je snel alle drie de plagen te pakken. Daarbij opgeteld het leerstuk van de erfelijkheid en het rond de eeuwwisseling door Cesare Lombroso gepropageerde criminaliteitsaspect: de medische stand stond op de weg naar zedelijkheidsverheffing der Belgen voor een schijnbaar onoverkomelijke slagboom.

Op dit gebied bewegen zich de fascinerende artikelen in Degeneratie in België. Leen Beyers schrijft over het `rasdenken tussen geneeskunde en natuurwetenschap', onder anderen over de antropoloog Emile Houzé, die tot de conclusie kwam dat Vlamingen van nature groter zijn dan Walen, en die de geldigheid van deze wet toeschrijft aan `verziekende omgevingsfactoren'. Liesbeth Nys onderzocht de uitspraken van legerartsen over drankmisbruik en geslachtsziekten onder militairen van 1850 tot 1950. De dienstplicht in België was tot 1909 niet persoonlijk, men kon een remplaçant inhuren, die door scouts werden geronseld: `Om hen te ontdekken doorlopen ze de arme en dichtbevolkte wijken, waar ze in kroegen van laag allooi een beroep doen op leeglopers, aan lager wal geraakten, en de koop sluiten tussen twee glazen jenever. Vanaf dat ogenblik tot de dag van inlijving brengt de smeerlap zijn tijd door met orgiën en verliest hij vaak wat hem rest aan geld, gezondheid en rechtschapenheid.'

Ik noemde de naam Lombroso al, over diens Belgische navolger schreef Raf de Bont een fraai stuk: `Louis Vervaeck en de criminele antropologie 1900-1940'. Lombroso beschouwde de tatoeage als een uitdrukking van lagere instincten, Vervaeck bestudeerde in de periode 1903 en 1905 niet minder dan 5.971 getatoeeerde misdadigers in de Brusselse Miniemengevangenis, maar kwam tot een iets andere conclusie. Hij meende dat, in plaats van op criminaliteit te wijzen, tatoeages het gevolg waren van ledigheid en verveling, wellicht van bizarre `vagebondverbeelding'. Toch onderscheidde Verveack wel degelijk criminele tatoeages. Hij trof ze aan bij de zware jongens, die volgens hem een degeneratieve gesteldheid vertoonden, seksuele afwijkingen en subversieve tendenzen.

Louis Vervaeck pleitte voor een programma om het gevangeniswezen te hervormen. Niet langer was de gevangenis een strafinrichting met een rationele verhouding tussen misdaad en straf. Vele gestraften waren volgens hem demi-fou en dus semi-responsable. Met het oog op het zedelijk volkskarakter moest de gevangenis een instelling worden waarin `sociaal verweer' van de burgerij vorm kreeg, de verdediging van de gezonde volksgemeenschap tegen de drie plagen. Louis Vervaeck meende dat er derhalve naast normale gevangenissen penitentiaire sanatoria moesten komen voor tb-lijders, gesloten hospitalen voor invaliden, grijsaards en sociaal gevaarlijke patiënten, psychiatrische kolonies voor epileptici en hysterici, landbouwkolonies voor mentale debielen, gevangenisboerderijen voor zuiplappen en toxicomanen, instellingen voor psychopaten, met aparte afdelingen voor `moreel krankzinnigen' en seksuele maniakken. De houding is duidelijk: alles wat afweek van het gezonde moest worden opgesloten. Om besmetting te voorkomen.

Waterhoofd

Ook de kunstenaar (`l'uomo di genio', zoals Lombroso hem noemt) wijkt af van de gezonde, gemiddelde mens. Kon men die gewoon los laten rondlopen? Hoe zat het met de drievuldigheid waanzin, genialiteit en degeneratie? Over deze vraag ontstond in het België rond 1900 een verhit debat. In het licht hiervan werden in 1901 de enorme hersenen gewogen die Guido Gezelle tot voor kort in zijn waterhoofd had rondgedragen. Gezelle zou bovendien net als Shakespeare en Richard Wagner als kind aan rachitis hebben geleden. Verder werden in de rechterhelft diepe hersenplooien aangetroffen, waarmee zijn uitzonderlijke spraakbegaafdheid was aangetoond. Dat was het goede nieuws. De Geelse gestichtsarts Meeus echter legde verband tussen degeneratie en genie, door te wijzen op verliefdheid bij Byron op diens achtste, op het ui-vormige hoofd van Pericles, op de fysieke `misbakkenheid' van Alexander Pope. Het genie was vaak te beklagen volgens Meeus, ergo: `Wij moeten ons behoeden van al te hooge sprongen te willen maken.'

Ook de kunstenaars zelf mengden zich in het debat. Waanzin, artistieke gevoeligheid lagen heel dicht bij elkaar, betoogden zij. Kunstenaars als James Ensor, Léon Spillaert of Félicien Rops speelden of koketteerden met waanzin en neurosen. En dan was er nog de `groene muze', de absinth (ook wel `Lambik'), een alcoholische rage die uit Parijs was overgewaaid. De medische stand verzette zich onmiddellijk tegen deze kunstenaarsrage, om te voorkomen dat ook de arbeidersklasse `het glas zonsondergang' zou ontdekken. Je werd er maaglijder van, agressief, crimineel en het leidde tot stuiptrekkingen. Bij het dagelijks gebruik van een groen glas ging definitief het licht uit.

Deze bundel laat op een meeslepende manier zien wat Darwin en de zijnen bij onze zuiderburen hebben teweeggebracht: de angst om als volk nooit glanzend van gezonde zedelijkheid de eindstreep te halen.

Jo Tollebeek, Geert Vanpaemel en Kaat Wils (red.): Degeneratie in België. Een geschiedenis van ideeën en praktijken. Universitaire Pers Leuven, 319 blz. €36,50