Nieuwe theaters zijn een zegen

Ze zijn rijk geworden met het produceren van tv-programma's, hebben hun zaak verkocht en gebruiken een deel van hun fortuin om theatervoorstellingen naar eigen smaak te maken. Joop van den Ende begint over een jaar met de verbouwing van het Nieuwe de la Mar/Bellevue Cinerama-complex aan de Marnixstraat in Amsterdam, terwijl zijn collega Harry de Winter deze week naar buiten is getreden met plannen voor een theater in een honderd jaar oude tramremise in de hoofdstedelijke Tollensstraat. In beide gevallen gaat het om drie zalen, en beiden staat ook het open end-systeem voor ogen, waarbij een voorstelling niet op tournee gaat, maar in één zaal blijft staan zolang er genoeg publiek op afkomt.

Dat is nieuw voor Nederland. Van den Ende exploiteert weliswaar nu al twee musical-theaters (in Scheveningen en Utrecht) volgens dat systeem, en krijgt er over een paar jaar nog een derde bij (tegenover de RAI in Amsterdam), maar voor toneelvoorstellingen bestaat het hier nog niet. Vroeger, vóór de oorlog, toen bijna alle toneel nog ongesubsidieerd was, wel. Toen kon een populaire voorstelling nog rustig maandenlang in één theater blijven staan. Maar sinds er structureel gesubsidieerd toneel en gesubsidieerde schouwburgen bestaan, is die marktwerking uit het toneel verdwenen. De meeste gezelschappen moeten op reis om hun cultuur te spreiden, en de schouwburgen moeten een afwisselend programma bieden. Dat laat geen ruimte voor een plotselinge verlenging van de speellijst. Ook niet voor de zogeheten vrije producenten. Hoewel zij niet gebonden zijn aan de reisverplichting – ze werken immers zonder subsidie – is het ook in hun geval vrijwel onmogelijk een onverwacht succes langer door te spelen. Extra voorstellingen stuiten af op de agenda's van de schouwburgen die al ruim een jaar van tevoren zijn dichtgetimmerd. Wat er op 16 april 2005 in alle theaters wordt gespeeld, staat nu al vast.

Van den Ende en De Winter zoeken een alternatief voor dit totale gebrek aan flexibiliteit. Niet alleen omdat de reguliere tournees door de files steeds onaangenamer worden, en omdat het dagelijkse op- en afbouwen van een decor door de Arbo-wet steeds duurder wordt, maar ook om veel adequater te kunnen reageren op de publieke belangstelling. En om ruimte te kunnen bieden aan spontane toneelmakersinitiatieven. Ze dagdromen van bijzondere producties met bijzondere acteurs, die geen zin hebben om dagelijks in de bus naar Bergen op Zoom, Nijmegen of Assen te zitten, maar wel een maand of drie in één theater willen staan, dat bovendien dicht bij huis is. Zo kunnen acteurs als Eric van der Donk, Lou Landré en alle anderen die het reizen beu zijn, wellicht toch worden overgehaald om weer op het toneel te staan.

Volgens recente berekeningen van de vereniging van schouwburgdirecteuren (VSCD) zal de belangstelling voor de podiumkunsten de komende jaren nog danig stijgen. Voor het toneel geldt een groeiprognose van 6 procent in 2005 en zelfs 11 procent in 2010. Dat schept ruimte voor nieuwe zalen en nieuwe initiatieven. Voor de televisie blijft tegenwoordig bijna niemand meer thuis – dat weten Van den Ende en De Winter als geen ander.