Jongleren met je spiegelbeeld

Volgens de Frans-Amerikaanse filosoof René Girard heeft er rond dubbelgangers van oudsher een onheilspellende sfeer gehangen. Omdat alles in de natuur onherroepelijk eenmalig en onverwisselbaar is, krijgt de verdubbeling vanzelf iets monsterlijks. De identiteit wordt twijfelachtig, want wie is wie? Terwijl het houvast wegglijdt waarmee we dingen en mensen uit elkaar houden en zo de hele wereld begint te wankelen, is de situatie voor wie zelf zijn dubbelganger ontmoet nog hachelijker. Hij verliest zijn eigen persoonlijkheid en het besef een unieke en onherhaalbare persoon te zijn.

Of José Saramago ooit Girard gelezen heeft, is niet erg duidelijk. In ieder geval heeft hij zijn jongste roman, De man in duplo, rond dit gegeven opgebouwd. De geschiedenisleraar Tertuliano Máximo Alfonso ziet op een kwade dag zijn eigen evenbeeld een bijrolletje vervullen in een videofilm. Die ontdekking werpt zijn bestaan omver. Hij gaat op zoek naar de acteur die tot in de kleinste details zijn fysieke – zij het niet zijn geestelijke – dubbelganger is, vindt hem en schept daarmee een dubbel dilemma.

Het eerste probleem is van ondergeschikt belang en gemakkelijk op te lossen. Wie van de twee mannen in duplo vormt het origineel en wie de kopie? Het geboorteuur (beiden zijn op dezelfde dag geboren) brengt uitsluitsel, maar het probleem zit dieper: is er in een wereld waarin mensen samenvallen met hun identiteit, bij twee uitwisselbare figuren niet altijd één te veel? Kan de maatschappelijke orde wel bestaan bij een dergelijke ongewisheid over de vraag wie wie is? En indringender: kan een persoon wel leven in het besef dat zijn unieke leven van binnenuit wordt leeggezogen door het bestaan van een verdubbelde ander?

De vraag opwerpen is haar beantwoorden, en dat doet Saramago ook zelf in zijn roman, die daarmee een soort essay over de identiteit wordt. Zelf heeft hij het boek een allegorie genoemd, al lijkt het woord `ideeënroman' beter op zijn plaats. Dat genre heeft geen goede pers, want de levensechtheid van het verhaal wordt daarin gemakkelijk aangetast door de denkdwang van de inzichten die de schrijver ermee wil uitdrukken. Maar Saramago stoort zich daar al langer niet aan. Zijn succesvolle roman De stad der blinden heette oorspronkelijk Essay over de blindheid en in het begin van zijn schrijverscarrière waagde hij zich al eens aan een romanesk Handboek voor schilderkunst en kalligrafie.

Geloofwaardigheid

Het geconstrueerde karakter van De man in duplo lijkt zich allereerst te verraden in het plot. Het gegeven van twee volstrekt identieke mensen die op dezelfde dag geboren zijn en ook nog eens in dezelfde stad wonen, doet een zware aanslag op de geloofwaardigheid. Maar daarbij komt de werkelijkheid de literatuur te hulp. In New York hebben onlangs twee volstrekt uitwisselbare vrouwen elkaar ontmoet, zo meldde deze krant op 7 januari j.l. Ze studeerden aan dezelfde universiteit en waren op dezelfde dag geboren, want ze vormden een eeneiïge tweeling. Kort na hun geboorte door adoptie gescheiden, waren ze van het bestaan van de ander nooit op de hoogte geweest. Dat was voor beiden een vreugdevolle ontdekking, zo schreef de krant, maar als we Girard mogen geloven is enige reserve op haar plaats.

Saramago heeft van Tertuliano Máximo Alfonso en zijn dubbelganger geen tweeling gemaakt, maar het literaire probleem van deze ideeënroman schuilt uiteindelijk niet in het plot. Zelfs uit grove onwaarschijnlijkheden weet een gewiekste schrijver zich nog wel te redden, als hij het verhaal maar meeslepend genoeg vertelt en de karakters overtuigend tekent. In dat eerste is rasverteller Saramago in ieder geval een meester. De man in duplo snelt voort met dezelfde aanstekelijkheid als zijn voorgaande romans.

Vaart

De dialogen waarin de verschillende stemmen op dezelfde regel, zonder alineascheiding, op elkaar volgen, geven de romans van Saramago al vrijwel vanaf zijn vroegste boeken hun karakteristieke vaart. Uitgeschreven tot in de sufste details, met een ogenschijnlijk gebrek aan economie waarmee een bijna slapstickachtig effect wordt bereikt, krijgen zijn romans hun al even kenmerkende laconieke humor, al begint hun omslachtigheid wat sleets te worden.

De romans van Saramago kenmerken zich door een eenvoudig en schetsmatig verteld plot. Gewoonlijk is daarin slechts ruimte voor de uitwerking van één figuur tot een volwaardig karakter, van wie de verhaallijn zich zelden verwijdert. Dat is in De man in duplo niet anders en Saramago's geschiedenisleraar is dan ook het enige personage dat werkelijk contouren krijgt.

Veel meer dan een sympathieke herinnering aan de troebelen van Tertuliano Máximo Alfonso laat deze roman dan ook niet na. Over het hele boek hangt de sfeer van het goedmoedige humanisme dat het Nobelprijscomité in diens oeuvre zo hoog waardeerde. Als Saramago met De man in duplo een allegorie heeft willen schrijven, dan blijft de vraag: waarvan? Voor een werkelijke meditatie over de oninwisselbaarheid van de menselijke persoon blijft het boek te veel steken in de tegeltjeswijsheden. Door de komische banaliteit van Saramago's dialogen beperkt de ideeënrijkdom van dit boek zich tot een `het-is-me-wat'-achtig gevoel. Diepzinnig is Saramago dan ook voornamelijk in de `kwasi'-modus, maar zolang het lezen duurt en het nadenken nog niet begonnen is, heb je daar in De man in duplo geen last van.

José Saramago: De man in duplo. Uit het Portugees vertaald door Maartje de Kort. Meulenhoff, 303 blz. €19,95