In loden jas tussen druppel en wind

Hoe breed is de grens tussen poëzie en toneel? Een dichter als Willem Jan Otten overschrijdt haar moeiteloos, maar die is alzijdig. Opmerkelijker is dat in het afgelopen decennium een paar uitgesproken tonelisten zich tot het dichterschap bekeerden. Antoine Uitdehaag, regisseur van professie, was de eerste. Zijn debuutbundel Levenslang vrij (1994) toonde geen sporen van het theatergebeuren, maar in De adem van de zaal (1996) waren het leven op het toneel en het toneel in het leven centrale thema's. In 2000 volgden twee vakgenoten zijn spoor. De toneelschrijver Peer Wittenbols toonde in Slaapschuld dat theatrale middelen ook poëzie kunnen leveren en herbevestigde dat vorig jaar in de bundel Kop van het hoofd, die genomineerd is voor de morgenavond in Landgraaf uit te reiken Jo Peters PoëziePrijs. Ook de acteur Ramsey Nasr publiceerde inmiddels twee dichtbundels: 27 gedichten & geen lied (2000) en, deze week, Onhandig bloesemend.

De helft van zijn debuutbundel vulde Nasr met de monoloog `Geen lied'. Poëzie en toneeltekst vielen daarin als vanzelfsprekend samen. De dichter bracht zijn tekst ook op het podium en de waardering was op beide fronten groot. De poëziebundel kreeg een nominatie voor de Buddingh'-prijs, de toneeltekst en de voordracht daarvan werden bekroond met de Taalunie Toneelschrijfprijs en de Mary Dresselhuysprijs, en de acteur zag zich genomineerd voor de Louis d'Or 2000. Een jaar later publiceerde Nasr vermakelijk maar maatschappij-kritisch proza onder de titel Kapitein Zeiksnor & De Twee Culturen en intussen speelde hij als vast acteur bij Het Zuidelijk Toneel en was hij in verschillende speel- en televisiefilms te zien.

Het lijkt allemaal te veel van het goede. Bij zo veel zegepraal is de blik geneigd zich met argwaan te vullen. Maar die argwaan is onterecht. In Onhandig bloesemend toont Ramsey Nasr zich onverdacht dichter. Opnieuw speelt hij leentjebuur bij het toneelidioom en schijnbaar terloops ook bepotelt hij het territorium van de componist, maar het resultaat van die omzwervingen is tintelende poëzie. Zijn gedicht `wonderbaarlijke maand' is een treffend voorbeeld:

dat was in de wonderbaarlijke maand

van bloesemingen en overvloed

toen mijn borstkas opstoof als papaver

ribben in sierpennen uitwaaierden

mei mijn magere taal openbrak

vergelijkingen vrat als vuur water

ik schaamde mij diep naar poldergewoonte

in loden jas tussen druppel en wind

ongevoelig bij takken struikgewas doornen

had ik licht opgevat

ik wreef haar in

en doorzichtig vernederend fonkelniezen

kwam over mij o wonder daar ging ik

men zou van minder uit schamen gaan

maar dit was mijn ziekte baarlijke liefde

Het is het openingsgedicht van de cyclus `dichter liefde'. In zestien gedichten verhaalt Nasr de amoureuze ondergang van `de onnozel volhardende pletterloper' Frederik Wonderlik. De inspiratie voor deze reeks vond hij in de liederencyclus Dichterliebe (1840) van Robert Schumann, dat wil zeggen in de teksten die de componist op toon zette: de `Prolog' van het Lyrisches Intermezzo (1822-1823) van Heinrich Heine. Nasr vertaalde niet, maar parafraseerde naar hartelust, al lijkt de inzet van zijn verzen in eerste instantie nog trouw aan het Duits. `Ich grolle nicht', schreef Heine:

Ich grolle nicht, und wenn das Herz

auch bricht,

Ewig verlornes Lieb! ich grolle nicht.

Wie du auch strahlst in Diamantenpracht,

Es fällt kein Strahl in deines Herzens Nacht.

Bij Ramsey Nasr werd dat, onder de titel `op een bolstaand graf':

ik grol niet

dank voor wat overschiet

van het hart mijn eeuwig rottend lief

mijn kool in diamantenvacht

ik grol toch niet

Tot zo ver lijkt de dichter zijn voorbeeld te volgen, maar dan breekt hij los in een eigenzinnige woordenvloed. Je bent, schrijft hij over zijn onbereikbare lief `een beste kogeldistel / zwammenvrouw in hertensnacht / mijn zwavelkop mijn gatenplant / mijn koekoeksbloem'

Met uitzondering van `hertensnacht' zijn deze epitheta bij Heine niet terug te vinden, en ook de woedende slotregels ontbreken in het origineel. `Geef me een kus mispeltjelief,' oreert Nasr: `dood kome over je / als wolfsmelk / kafferlelie / of in de vorm van onvruchtbare nacht'. Dat lijkt, alweer, te veel van het goede; maar de dichter verloochent allerminst zijn bron. Hoe vrij zijn interpretatie ook is, net als Heine's teksten en Schumanns toonzetting bezingt `dichter liefde' niet de mislukking maar het onvermogen.

Indrukwekkender nog vind ik de cyclus `wintersonate'. Voor deze vijfentwintig pagina's lange reeks baseerde Nasr zich op de altvioolsonate die Sjostakovitch op zijn sterfbed schreef. De cyclus heeft ook de indeling van een sonate; hij opent met een moderato, gaat in allegretto verder en eindigt in een adagio. Als toegift volgt een kort commentaar op de dood van de componist.

Twee elementen maken deze cyclus zo bijzonder als ze is: de toonzetting van de taal en de inhoud. Waar Nasr overgaat van het moderato naar het allegretto wisselt zijn melodie van tempo, en bij de overgang naar het adagio gebeurt dit opnieuw. Hier toont zich de theaterman die weet hoe taal het oor van het publiek bespelen kan. Maar ook de historische bagage van Nasr is niet mis. De tekst van `wintersonate' weerspiegelt even kleur- als klankrijk het culturele klimaat van de toenmalige Sovjet-Unie. De strofen komen uit de mond van de stervende Sjostakovitsj, maar Nasr monteerde ze tot een prangende collage met hoogtepunten als

soms wilde ik dat ik als een lelie

op de brede tafel van stalin kon staan

me optrekkend vanuit de vaas

hem monsterend op afstand

mijn kleine tuinman in de stoel

mijn slechtgeschapen bloemloze plant

hem te beschouwen

en compleet te negeren

Het is de taal van een monoloog, maar ook op papier beklijven de woorden. Nasrs krachtige, op het podium geschoolde dictie schraapt de keel van de poëzie.

Ramsey Nasr: Onhandig bloesemend. De Bezige Bij, 78 blz., €15,–