Iedereen zijn eigen elektriciteit

De Gasunie presenteerde vorige week de micro-krachtcentrale: de gebruiker van stroom wordt zelf producent. In zijn boek Power to the People voorspelt de Engelse journalist bij The Economist Vijay Vaitheeswaran een revolutie in de energievoorziening.

Toen hij zijn eerste elektriciteitscentrale bouwde, in 1882, dacht Edison nog dat in de toekomst elk woonblok, elk kantoorgebouw en elke fabriek over zijn eigen elektriciteitscentrale zou beschikken. Niet verwonderlijk, want de gelijkstroom die zijn centrales produceerden, kon niet over grote afstanden worden getransporteerd. Zijn visioen legde het echter af tegen dat van de natuurkundige Nicolas Tesla en de zakenman George Westinghouse die wisselstroom propageerden, die wel over grote afstanden kan worden getransporteerd. Hun succes leidde ertoe dat in de afgelopen eeuw de centrales niet alleen steeds groter zijn geworden, maar ook steeds verder weg zijn komen te staan van de gebruiker.

In de komende vijftig jaar zal de visie van Edison eindelijk werkelijkheid worden, denkt Vijay V. Vaitheeswaran, energieredacteur van The Economist. In zijn recent verschenen boek met de prikkelende titel Power to the People voorziet hij een revolutie in de energievoorziening. De grote elektriciteitsproducenten met hun megacentrales zullen plaats maken voor honderden kleine centrales, die elk een of meer woningen, kantoorpanden en fabrieken van stroom en warmte voorzien. Het klinkt vergezocht, maar vorige week presenteerde de Gasunie de eerste micro-warmtekrachtcentrales, die komend jaar bij wijze van experiment worden getest in bedrijven en huishoudens. Op den duur worden zij gekoppeld zodat ze samen functioneren als een grote virtuele elektriciteitscentrale. Vaitheeswaran zelf vergelijkt het met een energie-internet, waarbij kleine centrales (zon, wind, gasmotor, brandstofcel) permanent met elkaar zijn verbonden zoals vele miljoenen computers dat nu al zijn.

De revolutie wordt volgens Vaitheeswaran teweeggebracht door de liberalisering van de energiemarkt (die in Nederland per 1 juli zijn beslag krijgt), een groeiend milieubewustzijn en vooral de opkomst van nieuwe geavanceerde technieken zoals brandstofcel en microturbine. Bij elkaar zullen die een eind te maken aan de smerige en verspillende wijze waarop we nu nog in onze energiebehoefte voorzien, zegt hij. En `en passant' wordt de mensheid gered van een voortijdige dood door smog en een dreigende klimaatverandering.

De liberalisering maakt de weg vrij voor nieuwe aanbieders. Dat zouden projectontwikkelaars kunnen zijn of – in Nederland – woningbouwverenigingen. In plaats van te kiezen voor een CV-ketel, kunnen ze nu al kiezen voor een installatie, die niet alleen water verwarmt, maar ook elektriciteit opwekt. Een voorbeeld is het chique Condé Nast Building in New York dat in de kelder twee brandstofcellen heeft staan die zorgen voor elektriciteit en warmte, terwijl de gevel is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen, die zonlicht in stroom omzetten.

Willen die nieuwe aanbieders echter een kans maken, dan moet het speelveld wel gelijk zijn, betoogt Vaitheeswaran. Dat betekent onder meer dat elke producent, hoe klein ook, toegang tot het netwerk moet hebben. Vertaald naar de huidige discussie in Nederland betekent dit, dat het beheer van het netwerk volledig wordt losgekoppeld van de productie van elektriciteit om die toegang te waarborgen. Of het netwerk in overheidshand blijft is niet zo relevant – vooropgesteld dat de toekomstige beheerder het niet ziet als melkkoe, maar er voldoende in investeert.

Als rechtgeaard redacteur van The Economist keert Vaitheeswaran zich tegen alle vormen van directe en indirecte overheidssubsidies voor de grote elektriciteitsmaatschappijen. Dat zijn er nogal wat. Zo wordt de kolenwinning in de meeste industrielanden zwaar gesubsidieerd, zijn de kerncentrales maar beperkt aansprakelijk voor de gevolgen van een ongeval en hoeven kolengestookte centrales in de Verenigde Staten niet aan alle milieu-eisen te voldoen. Nog afgezien van het feit dat de schade aan gezondheid en milieu die de traditionele energievoorziening veroorzaakt, wordt afgewenteld op de samenleving.

Mensen pikken dat niet meer. De tweede belangrijke impuls voor de energierevolutie is dan ook de bezorgdheid om het milieu. Daarbij gaat het Vaitheeswaran niet eens zozeer om de dreigende opwarming van de aarde, maar veel meer om de directe luchtvervuiling die gepaard gaat met het verbranden van olie en steenkool en die vooral in opkomende industrielanden veel nodeloze sterfte zal veroorzaken. Vooropgesteld tenminste dat die landen zich even afhankelijk maken van olie en steenkool als de westerse industrielanden. Dat hoeft niet, want juist die landen hebben de mogelijkheid om direct de sprong te maken naar een betrouwbaarder en goedkoper energie-internet.

Zo'n energie-internet bestaat uit vele duizenden microcentrales. Dat kunnen turbines zijn, maar Vaitheeswaran denkt toch vooral aan brandstofcellen, die waterstof als brandstof gebruiken en naast elektriciteit slechts water produceren. De prijs van de elektriciteit uit microcentrales is nu al vergelijkbaar met die van kolencentrales en zal in de nabije toekomst nog verder dalen. De prijs van elektriciteit uit steenkool- en oliecentrales daarentegen zal de komende jaren waarschijnlijk stijgen, onder meer door de voorgenomen heffing op kooldioxide. Energetisch zijn microcentrales al in het voordeel omdat zich geen verliezen voordoen bij het transport van warmte en elektriciteit. Bij grote gecentraliseerde eenheden kunnen die verliezen oplopen tot meer dan twintig procent van het opgewekte vermogen.

Een netwerk van vele kleine centrales heeft volgens Vaitheeswaran bovendien als voordeel dat wanneer er één uitvalt, vele anderen de levering van warmte en elektriciteit gewoon overnemen. Bovendien is een decentraal energie-internet minder gevoelig voor terroristische aanslagen.

Om snel te kunnen reageren op veranderingen in vraag en aanbod moeten de microcentrales met elkaar kunnen communiceren. Dat kan via de elektriciteitsdraad – er zijn al bijvoorbeeld babyfoons die via het elektriciteitsnet werken. Op dezelfde manier als het geluid van een huilende baby wordt overgebracht kan het net ook worden gebruikt voor signalen waarmee je op afstand centrales in- of uitschakelt of om onderling stroomverbruik enn -productie te verrekenen.

Met Power to the People heeft Vaitheeswaran een uitdagend boek geschreven over een mogelijke toekomst van de energievoorziening, zonder terug te vallen op de `heilige graal' van de kernfusie – al meer dan vijftig jaar een schone belofte – of de al even problematische optie van kernsplijting die onvermijdelijk leidt tot verspreiding van kernwapens. Dat hij hier en daar wat optimistisch is, bijvoorbeeld over de waterstofeconomie, zij hem vergeven, want hij schetst een plausibele uitweg uit het dilemma van enerzijds de groeiende behoefte aan energie, vooral in ontwikkelingslanden, en anderzijds de enorme problemen die de huidige afhankelijkheid van olie en steenkool met zich meebrengt.

Vijay V. Vaitheeswaran: Power to the People. How the Coming Energy Revolution Will Transform Industry, Change Our Lives and Maybe Even Save the Planet, uitg. Farrar Strauss & Giroux, 2003, ISBN 0374-23675-5, $25.