Het leed is letter geworden

Wat doet een schrijver wanneer hem een dodelijke ramp overkomt? Zwijgen, rapporteren, of zijn leed tot literatuur omwerken? Vier Nederlandse auteurs werden onlangs getroffen door verlies en verdriet. Alle vier deden ze er verslag van en moesten balanceren tussen waarheidsgetrouwheid, sentimentaliteit en literaire geloofwaardigheid.

In augustus 2001 fietste de dochter van Anna Enquist over de Dam in Amsterdam. Een rechtsafslaande vrachtwagen, niet toegerust met een dodehoekspiegel, gaf geen voorrang en reed haar dood.

Op een zondagochtend in februari 2002 werd Max Pam getroffen door een hersenbloeding. Hij lag een halfuur op de grond op zijn vrouw te wachten, die de hond uitliet, met zijn eenjarige zoontje kirrend en kruipend om hem heen. Maanden van revalidatie volgden.

In datzelfde voorjaar kreeg het zes weken oude dochtertje van P.F. Thomése een hersenbloeding. Het kindje stierf's nachts in het ziekenhuis, op 16 april.

Rosita Steenbeek verloor aan het eind van 2002 haar vader, die al enige tijd ziek was. Een paar weken na diens dood bracht een neef van de vader Steenbeek en haar moeder in de auto terug naar huis na een `troostetentje'. Hij reed tegen een boom. De neef overleed, Steenbeek en haar moeder raakten ernstig gewond, pas maanden later waren ze hersteld.

Mensen reageren op rampen zoals hun karakter hun ingeeft en bij schrijvers is hun beroep doorgaans een directe afspiegeling van hun karakter. Als alles instort, grijpen ze naar de pen. Schaduwkind van P.F. Thomése verscheen al eind 2002, als nieuwjaarsgeschenk van zijn uitgeverij – en september vorig jaar in een handelseditie. Daarvan zijn inmiddels meer dan vijftigduizend stuks verkocht; het boekje wordt in de grote Europese talen vertaald. En de afgelopen weken verschenen Anna Enquists dichtbundel De tussentijd en de autobiografische ziektegeschiedenissen (of eigenlijk herstelkronieken) Intensive care van Rosita Steenbeek en Het ravijn van Max Pam. Hoe onvergelijkbaar de in die boeken beschreven ervaringen ook zijn – een hersenbloeding is geen verkeersongeluk, de dood van een zuigeling is iets anders dan het overlijden van een volwassen dochter – het grote leed is wat ze verenigt: dit zijn boeken die niemand geschreven zou willen hebben.

De aanleidingen zijn te triest om van een trend te spreken, maar er verschijnen veel boeken over groot persoonlijk leed, en ze verschijnen snel. De ramp moet dadelijk in woorden worden omgezet, maar de schrijvers doen dat niet langer alleen in hun brieven en dagboeken, maar in de openbaarheid. En kort na het drama: waar het autobiografisch genre in zijn klassieke vorm werd beoefend door mensen die aan het eind van hun leven dat hele bestaan in perspectief wilden plaatsen, gaat het nu om de weerslag van korte, niet of nauwelijks afgesloten episoden. De rest van het leven kan wel aan bod komen, maar hoofdzaak is het niet. De voorbeelden uit de laatste decennia zijn legio: een ziekenhuisboek als De val van August Willemsen en de `weduwenboeken' van Kristien Hemmerechts (Taal zonder mij) en Connie Palmen (I.M.) zijn een paar van de bekendere voorbeelden.

Voor die toestroom van leedliteratuur bestaan zakelijke redenen (ellende verkoopt nu eenmaal uitstekend), therapeutische (het is goed om de dingen van je af te schrijven), sociale (lotgenoten kunnen er wellicht troost uit putten) en culturele (we zijn allemaal exhibitionisten geworden). Uit menselijke overwegingen is er ook alle aanleiding om de auteurs hun succes te gunnen, als pleister op de wonde of bij wijze van smartengeld.

Maar daarmee is nog niets gezegd over de literaire waarde van de boeken, en je eerste impuls is ook om daar niet te veel over te wíllen zeggen, althans als die literaire waarde niet zo groot is. Hoe harteloos moet je zijn om een zo door ellende getroffen auteur nog een trap na te geven? Ilja Leonard Pfeijffer formuleerde dat dilemma in deze krant toen hij over een van de gedichten in Enquists De tussentijd schreef: `Het is onmogelijk om het slecht te vinden, of beter gezegd, dat is ons onmogelijk gemaakt. Het is zo'n directe evocatie van het leed waarnaar titel, flaptekst en opdracht verwijzen, dat iedere afstandelijke, esthetische beoordeling een affront lijkt.'

`Het is de werkelijkheid die het werk doet, niet de poëzie', concludeert Pfeijffer en ook in de boeken van Pam, Steenbeek en Thomése heeft de echte wereld op het eerste gezicht de regie strak in handen: die slingert auto's tegen bomen, laat bloedvaatjes in hoofden knappen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de literaire pretentie van de boeken uiteenloopt, of eigenlijk toeneemt, beginnend bij Pam, via Steenbeek naar Thomése en Enquist.

Max Pam is meer journalist (literatuurkritiek voor HP/De Tijd) en columnist (tot voor kort op de Achterpagina van deze krant) dan literator en dat is aan Het ravijn goed te zien. Het boek begint als een persoonlijk relaas, wanneer Pam in de echtelijke slaapkamer ontdekt dat hij zich niet goed meer kan bewegen, veelkleurige vlekken ziet en als een zandzak in elkaar zakt: `Ik hoorde een klap en bleef liggen, zonder pijn, zonder een gedachte, en zonder de noodzaak om onmiddellijk te willen opstaan. Mijn zoon kwam op mij afgekropen. Hij trok zich aan zijn handjes aan mij op en probeerde over mij heen te klimmen, alsof ik een op het strand aangespoelde potvis was.'

Als Pam eenmaal door de brandweer uit zijn huis is getakeld en in het ziekenhuis ligt, begint hij al de werking van zijn hersenen te onderzoeken, door het maken van een rekensom (64 maal 352, gedeeld door 2) waar de meeste mensen ook zonder hersenbloeding wel even stil van zouden zijn. Die zakelijke sfeer overheerst Het ravijn, waarin Pam zich opwindt over het gedrag van opdrachtgevers, herinneringen ophaalt aan de twintig jaar geleden óók door een hersenbloeding gevelde, en nooit meer herstelde, collega-schaker en vriend J.H. Donner en zich inleest in wat er zoal aan `hersenliteratuur' te vinden is. Het boek bevat een paar pagina's literatuurlijst met werk van auteurs als Oliver Sachs.

Dus wéét hij, als hij `gewauwel' op de radio onverdraaglijk vindt, dat dit te wijten kan zijn aan de aantasting van zijn rechterhersenhelft. Bij dit soort passages kun je je voorstellen dat mensen met gelijksoortig ongeluk iets aan het boek hebben. Wat het nog geen literatuur maakt, maar die pretentie spreekt Pam ook nergens uit.

Het ravijn heeft een aangename toon: Pam heeft oog voor zijn eigen leed, maar vervalt zelden in zelfmedelijden. Typerend is de slotscène, waarin we de wonderbaarlijk snel herstelde verteller vlotjes op zijn fiets zien springen, althans: `Ik nam een aanloop en sprong op mijn herenfiets als nooit tevoren. Jammer dat ik helemaal vergeten was dat mijn linkerbeen toch nog altijd wat trager is dan het rechter.' Twee gebroken ribben, zal de dokter constateren.

Die gezien de beschreven ellende relatief optimistische verteltrant heeft Rosita Steenbeeks Intensive care gemeen met Het ravijn. Het zijn dan ook `herstelkronieken', aan het eind van het boek hebben de artsen het `genezen' uitgesproken. Overigens ligt Steenbeek, in weerwil van de titel van haar boek, op de afdeling `medium care', waar ze dan wel niet in direct levensgevaar is, maar wel vergaat van de pijn. De titel is ontleend aan de afdeling waar haar moeder wordt verpleegd. Die ligt daar eerst nog buiten bewustzijn en met een soort beschermend gewei om haar hoofd, dat met pinnen in haar schedel is vastgezet. De derde inzittende van de auto. Steenbeeks neef, was, als gezegd, bij het ongeluk omgekomen. Onduidelijk blijft of de botsing werd veroorzaakt door het onwel worden van die neef.

Steenbeek probeert haar relaas op een meer literaire wijze vorm te geven dan Pam, al gaat dat gepaard met aan het cliché grenzende observaties als: `Het hele leven is een noodsituatie, daar was ik altijd net zo van doordrongen als mijn vader' en: `Het is of deze ramp me meer verzoent met mijn vaders dood. Als je pijn hebt en je krachten laten het afweten, is de dood een troost, dat ervaar ik nu aan den lijve.' Het contact met haar familie is uiteindelijk wat Steenbeek de meeste troost en steun biedt.

Die familie, en de behoefte om de feiten volledig en correct weer te geven zadelen Steenbeek echter ook op met een literair probleem: ze maken het boek bij vlagen sentimenteel. Dat wordt al in de hand gewerkt door de combinatie van rampen die haar overkomt: de dode vader, de dode neef, de eigen verwondingen en die van haar moeder en op de achtergrond ook nog de breuk met een geliefde. Er is nog meer aan de hand; de overleden neef, Tado, blijkt een halfjaar eerder zijn dochter te hebben verloren en er is nog meer grensverkeer tussen de doden en de levenden. Tijdens Steenbeeks verblijf in het ziekenhuis worden er twee baby's geboren in de familie.

Die extra dode en die twee nieuwe levenden zijn in literaire zin te veel van het goede: in een roman zou je ze onmiddellijk terzijde schuiven als effectbejag. Maar Intensive care is uiteindelijk geen boek dat zich naar de wetten van de literatuur voegt, maar naar de feiten uit het leven van de auteur. Om het beeld compleet te maken, moeten de baby's erin – of ze de literaire zeggingskracht van het verhaal nu geweld aandoen of niet.

Op dat punt botst Steenbeek op een van de klassieke dilemma's van de literaire autobiograaf, die moet balanceren tussen het schetsen van een waarheidsgetrouw beeld en het scheppen van een in literaire zin geloofwaardig beeld. Bij Intensive care loopt dat mis, waardoor het boek in literaire zin schade oploopt.

Als er één Nederlandse schrijver is die zich de afgelopen jaren heeft uitgelaten over dergelijke problemen van autobiografisch-literaire mengvormen, én die radicaal heeft afgewezen, dan is het P.F Thomése. Nadat hij zich al eerder had afgezet tegen autobiografische boeken als het werk van Connie Palmen, schreef hij begin 1998 in De Revisor een essay met als titel `De narcistische samenzwering' over hoe de economische inrichting van het boekenbedrijf het schrijvers vrijwel onmogelijk maakt zich op een klein, specifiek publiek te richten. Om overeind te blijven wordt hij haast verplicht een `massaboek' te schrijven, liefst over zichzelf: `Een boek moet kunnen worden samengevat, het kan pas succes hebben wanneer het in een andere vorm niets van zijn betekenis verliest. Een boek dat zich gemakkelijk laat navertellen door een ander, bijvoorbeeld door een criticus of een tv-presentator, heeft meer kans om ``goed over te komen'' dan een boek dat niet in andermans woorden kan bestaan.'

Hier is een schrijver aan het woord voor wie de literatuur een kwestie van vorm is. Iemand die de autobiografische trends in de letteren radicaal afwijst, evenals de massaliteit van de bestsellercultuur. Zes jaar later is diezelfde schrijver ineens zelf auteur van een autobiografisch boek geworden waarvan de kern (een man zoekt woorden bij de dood van zijn zes weken oude dochtertje) zich zonder problemen laat navertellen én die een bestseller is geworden.

In hoeverre heeft dan in Schaduwkind de vorm nog steeds de overhand op de feiten? Die vraag oogt doodsimpel, maar je hoeft maar een paar bladzijden in het boekje te lezen om je te realiseren dat die vraag niet één-twee-drie te beantwoorden is. Want zoals Pfeijffer in het geval van Enquists poëzie al signaleerde dat het leed te groot is om nog onbevangen te kunnen lezen, dendert het drama in Schaduwkind vanaf het begin met volle kracht over je heen. De werkelijkheid doet het werk, inderdaad, en hoe.

Want tegen de met ogenschijnlijke afstand geschetste korte scènes over het sterven van een zuigeling, van het `Ze ligt volgens mij nu lekker te slapen' tegen beter weten in in het ziekenhuis tot het `Wil jij ons kleine meisje even vasthouden' als het kind overleden is – je wilt het eigenlijk niet lezen. En je wilt het al helemaal niet langs een literaire meetlat leggen. Je zou alleen maar willen dat het niet wáár was. Doorlezend zie je wel een groot aantal reflexieve passages, over de afkeer van de buitenwereld en de aanvankelijke onmogelijkheid om woorden voor de ramp te vinden, maar steeds weer schuift het doodsportret van de baby op de voorgrond.

Pas bij tweede, en voor sommigen misschien pas een derde lezing of helemaal nooit, lukt het om het boek als literatuur te zien. Als iets wat door iemand is gemaakt en niet alleen als een confrontatie met iets verschrikkelijks. Dan zie je ook wel dat Schaduwkind, naar literaire maatstaven gemeten, niet zo'n goed boek is. Thomése heeft geprobeerd zich verre te houden van het navertellen van de gebeurtenissen, hij heeft zijn verhaal nadrukkelijk gestileerd, vormgegeven. Dat blijkt uit de vele uitstapjes naar citaten uit het werk van andere schrijvers (Heidegger en Flaubert, Emerson en Cicero) en in veel pogingen om het eigen verdriet op de een of andere manier te duiden. Wat niet hetzelfde is als troosten, want de ontroostbaarheid is hier niet alleen overduidelijk, maar ook gewenst.

Thoméses pogingen tot duiding zijn niet erg verrassend: de pijn van de confrontatie met materiële overblijfselen (`Voor je het weet trekt het gore verdriet het jurkje-met-de-tamme-dieren aan en laat het expres de kleinste sokjes slingeren'), de verbazing over de eigen onschuld aan de vooravond van de ramp (`de alledaagsheid waarmee mensen zich in de richting van hun ondergang bewegen'), de gedachten aan de verdwenen toekomst van het kind (`De naam Isa Thomése blijft voor altijd open'), de onverdraaglijkheid van de stilte en de angstige haat voor de buitenwereld. Soms zelfs komt Thomése met een echt cliché, als `het sterven: een ander woord voor de tijd'. Zo treedt hetzelfde effect op als in het boek van Steenbeek: je kunt het Thomése niet kwalijk nemen dat hij geraakt wordt door melkvlekken op een babydekentje, maar literair gezien is het te sentimenteel.

De interessantste kwestie die Thomése aansnijdt is die van de rol van de taal. Juist de taal en de verbeelding, zouden de schrijver moeten kunnen helpen nog enige troost of verlichting te kunnen vinden. Zoals in het zinnetje dat de binnenflap van het boekje heeft gehaald: `Als ze ergens nog is, dan in de taal'. Die gedachte zou je ook als lezer wat troost kunnen bieden: misschien dat de man die door deze ramp is getroffen, er nog iets van kan maken, omdat hij schrijver is.

Dat die troostende werking van de verbeelding nog niet zo eenvoudig te bereiken is, valt trouwens al bij Anna Enquist te lezen in het gedicht `Parijse daken', waarin ze haar dochter (`Jij, al anderhalf jaar dood') met zich aan het ontbijt voorstelt, maar vergeefs: `Weer niet gelukt. Ik sloot de deuren. Naar/ beneden, snel, een dag was begonnen'.

En ook bij Thomése biedt de literatuur geen soelaas: eerst blijken zijn oude literaire helden hem niet te kunnen helpen: in Flauberts De leerschool der liefde sterft een kind, maar de hoofdpersoon is al haast weer onderweg `en hij zal nooit, in geen honderd bladzijden, meer terugdenken aan zijn eenzame, ijskoude, morsdode kind'. Maar ook waar hij niet bij andere schrijvers te rade gaat, maar zelf gedachtegangen uitprobeert waarvan je je zou kunnen voorstellen dat ze iets van verlichting zouden kunnen bieden, blijft hij met lege handen achter. `Het leven van het kind is het verzinsel van de ouders', staat ergens, wat je kunt lezen als een manier om de wel bedachte, maar verloren toekomst van zijn eigen kind, dichterbij te halen. Maar ook daar volgt, natuurlijk, de deceptie: `Je bent te jong gebleven om ooit nog van me weg te kunnen lopen en jezelf uit te vinden.' Zo draait alles in Schaduwkind steeds terug naar de dood. Wat er ook in de taal is, het kind is daar niet, realiseert ook Thomése zich. Al weet hij dat er elders nog minder van haar te vinden zal zijn. `Maar ik moet het ermee doen', schrijft hij over die ontoereikende woorden, wat uiteindelijk een herformulering is van het koesteren van `de herinneringen', zoals alle rouwenden dat proberen te doen.

Zo wijst Schaduwkind je er vooral op waar de macht van het woord, en de literatuur, ophoudt. Romans kunnen je even doen geloven in de kracht van de taal en de verbeelding. Een autobiografisch rampverslag als Schaduwkind laat zien – net als de boeken van Pam en Steenbeek, al is daar de inzet minder hoog – waar die macht ophoudt. Dat is op het punt waar de werkelijkheid echt aan het werk gaat.

P.F. Thomése: Schaduwkind. Contact, 108 blz. €12,90

Max Pam: Het ravijn. Autobiografie van de angst. Prometheus, 190 blz. €15,95

Rosita Steenbeek: Intensive care. Prometheus, 165 blz. €15,–

Anna Enquist: De tussentijd. Gedichten. De Arbeiderspers, 64 blz. €15,95

Morgen om 19.30 uur zendt de lokale Amsterdamse televisiezender AT5 een discussie uit over de boeken van Thomése, Steenbeek, Pam en Enquist in de eerste aflevering van `Lezen etcetera', het nieuwe culturele televisieprogramma van AT5 dat mede is mogelijk gemaakt door NRC Handelsblad.