Het einde van de rooms-rode rust

Het vierde en laatste kabinet-Drees, dat oktober 1956 begon en eind 1958 alweer aan zijn eind kwam, was een eigenaardig politiek vehikel. Het ontstond na een voor die dagen heftige verkiezingscampagne en een formatie van 122 dagen, een record. Drees had de PvdA net als in 1952 winst bezorgd bij de verkiezingen, dit keer vier zetels, zodat zij de KVP van Romme, die drie zetels won, met 50-49 naar de tweede plaats had verwezen.

Maar Drees, buiten zijn eigen partij en ook wel enigszins daarbinnen omstreden geraakt, was sceptisch. Hij wist dat hij als verkiezingswinnaar en als vertrouwensman van de vakbeweging en grote bevolkingsgroepen nagenoeg onmisbaar was. Al was het maar omdat een pijnlijke bestedingsbeperking geboden was, mede als gevolg van een teveel aan economisch optimisme onder het óók door hem voorgezeten voorafgaande kabinet. Maar hij vermoedde als weinig anderen dat de dagen van de naoorlogse brede coalities, de dagen van de rooms-rode wederopbouw, hun einde naderden.

De nationale boedel was immers weer aardig op orde. Zodat er meer ruimte was gekomen voor het debat tussen links en rechts over, bijvoorbeeld, het nut van (grote) overheidsbemoeienis. Een veeg teken voor Drees en de PvdA was dat, ondanks alle gesjor van vooral Romme tijdens de formatie, de coalitiefracties van KVP, ARP en CHU direct lieten weten dat zij anders dan de PvdA niet meer dan een extraparlementaire relatie met het regeerprogramma wilden hebben. Wat betekende dat de PvdA in voorkomende gevallen in de Tweede Kamer als minderheid tegen de `programmatisch vrije' rechtse meerderheid op moest boksen. Romme zette de toon door het kabinet alvast als `noodwoning op brede basis' te omschrijven. De nieuwe ARP-fractieleider Bruins Slot, die in zijn partijgenoot dan wel politieke concurrent Zijlstra een minister kende die een van de architecten van het regeerprogramma was, nam in datzelfde debat over de regeringsverklaring ook al afstand van de coalitie.

In het zesde deel van de reeks Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945 schetst een deskundig schrijverscollectief in elf compacte hoofdstukken hoe dat typische kabinet zijn voortijdige einde vond en hoe zijn val tevens het einde markeerde van een naoorlogse periode. De oude zwaargewichten in het kabinet die al in Drees-III zaten, zoals Mansholt en Suurhoff van de PvdA en Cals, Luns en Zijlstra van de confessionelen, hebben versterking gekregen van veelbelovende nieuwkomers als Samkalden (PvdA, Justitie) en Klompé (KVP, Maatschappelijk Werk), de eerste vrouwelijke minister, die in het statige gezelschap debuteerde met de woorden: `Jongens, ik ben Marga.'

In het vierde hoofdstuk is het mooi gelukt een scherpe groepsfoto van het kabinet te nemen. Duidelijk wordt hoeveel invloed Romme (via Luns en Klompé) en Burger (via Suurhoff en Drees) `van buiten' op de beraadslagingen in het kabinet proberen te krijgen. En hoe, andersom, ministers soms namens het kabinet voor enige terreinverkenning bij de fractieleiders langs moeten. Kenmerkende rol- en karakterverschillen vallen op, de boze Burger wil namens de gefrustreerde PvdA-fractie almaar gas geven, Drees is het vaak met hem eens maar trapt namens zijn kabinet toch steeds op de rem. Met Luns, die in Europa zo goed op Nederlandse belangen let en binnen het kabinet vaak zo geestig doet, kan de Eurosceptische premier het uitstekend vinden.

Al met al weet die sterke, aanvankelijk behoorlijk homogene ministersploeg zich zo'n twee jaar redelijk staande te houden, al moet de Kamermeerderheid nogal vaak met het woord `onaanvaardbaar' bedwongen worden. De betekenis van dat woord vermindert gaandeweg, terwijl de ergernis in de Tweede Kamer groeit. Dat loopt zomer 1958 samen met het succes van de bestedingsbeperking die een jaar eerder moeizaam is afgekondigd. Paradoxaal genoeg zal dit succes ook het voortbestaan van Drees-IV acuut gaan bedreigen. De Tweede Kamer herneemt haar vrijheid, waarmee ook de opgestapelde irritaties en politieke en persoonlijke tegenstellingen vrijkomen. Najaar 1958 voelt de PvdA zich bekocht doordat de coalitiepartners inzake de grondpolitiek afwijken van wat de PvdA ziet als een afspraak uit het regeerprogramma. Even later valt het kabinet wanneer de rechtse Kamermeerderheid minister Hofstra (Financiën, PvdA) de voet dwars zet door via een amendement-Lucas een tijdelijke belastingverhoging voor twee jaar te beperken tot één jaar ondanks het zoveelste `onaanvaardbaar' van de regering. Lucas, de grote rekenmeester van de KVP, heeft de weinig succesvolle Hofstra dan al vergeleken met `een huisvrouw met een gat in de hand. De minister slaat terug met de opmerking dat Lucas beter moet letten op fractiegenoten die steeds aandringen op uitgavenvergroting. Hofstra gaat heen, zijn PvdA-collega's bieden ook hun ontslag aan, de overige ministers stellen hun portefeuilles ter beschikking. Drees IV is er dan geweest. Afgezien van een kort intermezzo, het kabinet-Cals (1965-1966), zal het tot 1973 duren voordat er weer een centrum-linkse samenwerking komt. Dan in het kabinet-Den Uyl, met harde hand geformeerd door diezelfde Burger, een man met een geheugen.

Dit is een goed gelukt boek, aardig handzaam qua omvang, veelzeggend als tijdsbeeld (onder meer aangaande de gewichtige rol die de SER in polderland speelde), veelal goed geschreven, steeds goed gedocumenteerd. En passant weerlegt het de theorie dat de confessionelen altijd pas `in uiterste noodzaak' met de PvdA regeren. Namelijk door erop te wijzen dat zij in 1956 voor een stevige meerderheid ook bij de VVD terecht hadden gekund. Voorts rekent het boek af, in een aan de Greet Hofmans-affaire gewijd hoofdstuk, met noties als zou die `delicate' privézaak ook een politiek erg spannende kwestie zijn geweest. Zo wordt ook nogmaals duidelijk dat de koningin in de omgang met ministers niet altijd zo meegaand was als wel eens wordt beweerd. Minister Beyen, die in het derde kabinet-Drees op Buitenlandse Zaken zat, had volgens Juliana in deze zaak te veel de versie-Bernhard verdedigd en te weinig de hare. Hij was dus in 1956 voor haar niet meer ministeriabel en zou zelfs twee jaar, tot 1958, moeten wachten op een handtekening onder zijn al geplande benoeming tot ambassadeur in Parijs.

Jan Willem Brouwer en Peter van der Heiden (red.): Het kabinet Drees IV en het kabinet Beel II, 1956-1959. Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945. SDU, 371 blz. €45,-