`Goudreserves te gelde maken'

Frankrijk is bezig zijn `obsessie'met goud los te laten. De regering zoekt naar middelen om de begroting aan de vullen. De Banque de France vindt verkoop van goud `bespreekbaar'.

Het is een gouden greep. Geconfronteerd met hardnekkige begrotingstekorten waarmee Frankrijk de Europese begrotingsregels voor het vierde achtereenvolgende jaar schendt, heeft de nieuwe minister van Financiën, Nicolas Sarkozy, zijn begerige blikken laten vallen op de reusachtige goudvoorraden van de Banque de France. Deze week gaf de president van de Banque de France, Christian Noyer, voor het eerst publiekelijk toe dat verkoop van een deel van de goudvoorraden voor hem bespreekbaar is. In Frankrijk is dat niets meer of minder dan een monetaire revolutie.

Zolang goud in de kluizen ligt, levert het niets op. Minister Sarkozy zou de opbrengsten van een eventuele goudverkoop willen gebruiken om het overheidstekort te financieren, maar zoveel vrijheid krijgt hij niet. Noyer wil wel overwegen om een deel van de goudreserves om te zetten in rentedragende valuta`s. ,,Wie wil bestrijden dat het geen enkele zin heeft om goudreserves aan te houden die geen rente opbrengen'', vroeg Sarkozy deze week in het Franse parlement. Gedeeltelijke goudverkoop levert volgens hem op termijn enkele honderden miljoenen euro's per jaar aan hogere afdrachten van de Banque de France aan de staat op. Zo draagt goudverkoop indirect bij tot beteugeling van het overheidstekort.

Frankrijk heeft een ,,welhaast tribale obsessie met goud'', heeft de vorige president van de Banque de France en de huidige president van de Europese Centrale Bank, Jean Claude Trichet, eens gezegd. In de kluizen van de Banque de France, die een oppervlakte van een hectare beslaan en zich 27 meter onder de Seine bevinden, is meer dan 3.000 ton goud opgeslagen. Na de Verenigde Staten, Duitsland en het Internationale Monetaire Fonds heeft Frankrijk de grootste goudreserves ter wereld en sinds het jaar van de studentenrevolte, 1968, heeft de Banque de France geen goud meer verkocht.

De Franse voorliefde voor goud heeft deels te maken met een conservatieve instelling waarbij de waardevastheid van geld minder vertrouwd wordt dan die van het edelmetaal. Maar het heeft ook een politieke achtergrond, waarbij goudaankopen een manier zijn geweest om de Verenigde Staten dwars te zitten.

Na de Tweede Wereldoorlog kende de westerse wereld het zogenoemde goud-dollarstelsel van Bretton Woods. In dit monetaire stelsel fungeerde de dollar als ankermunt, waartegen andere munten een vaste koers hadden. De Verenigde Staten garandeerden het stelsel door de mogelijkheid dollars in goud om te wisselen tegen een vaste koers van 35 dollar per troy ounce (31 gram). Generaal De Gaulle, die in 1958 president werd van Frankrijk, had een grote argwaan jegens de dollar en de Verenigde Staten. De Gaulle noemde de dollarstandaard een ,,exorbitant privilege'', omdat het de Verenigde Staten in staat stelde om net zoveel dollars in omloop te brengen als ze maar wilden. Hij wilde het liefst terug naar de gouden standaard van vóór de Tweede wereldoorlog. Daarom ruilde Frankrijk onder De Gaulle massaal dollars in tegen goud. In een beroemd geworden persconferentie, op 4 februari 1965, zei De Gaulle: ,,Ik zie niet in dat er een andere standaard bestaat dan goud. Ja! Goud verandert niet van aard, het laat zich makkelijk omvormen tot staven of tot munten, het heeft geen nationaliteit, het wordt eeuwig en universeel aangehouden als onveranderlijke en betrouwbare waarde par excellence!''

Niet alleen Frankrijk, ook Nederland en andere Europese landen wisselden in de jaren zestig dollars om in goud. Het gevolg was dat de Amerikaanse goudvoorraden zo sterk waren geslonken dat president Nixon in 1971 de inwisselbaarheid opschortte. Dat was het begin van het einde van het stelsel van vaste wisselkoersen.

Europese centrale banken beschikken nog steeds over veel goudreserves. Maar met de euro en zwevende wisselkoersen is de betekenis hiervan drastisch afgenomen. In de afgelopen jaren hebben verschillende centrale banken daarom al aanzienlijke hoeveelheden van hun goudvoorraden verkocht. Najaar 1992 verkocht De Nederlandsche Bank een kwart (400 ton) van zijn goudvoorraad en later in 1996 nog eens 300 ton, de Bank of England verkocht in 1999 ruim 700 ton. Dat gaf zo'n prijsdrukkend effect op de goudmarkt, dat de Europese centrale banken besloten voortaan maximaal 400 ton per jaar op de markt te brengen. Inmiddels is dit maximum opgetrokken tot 500 ton per jaar tot 2009. Er mag onder deze afspraak nog 1.700 ton goud worden verkocht. Frankrijk kan dus nog even voort.