Geen ergernis meer maar lichte ontroering

MADRID. De hond zit in een tas. Twintig minuten na het opstijgen wordt hij uit de tas gehaald. Het knuffelen begint. Een heel gesprek inclusief zoentjes. Het bazinnetje, een dame van begin zestig, is op weg van Amsterdam naar Spanje, waar ze de helft van het jaar woont. Dat Iberia haar laat betalen voor koffie en broodje doet haar verdriet. Ze zegt tegen de hond: ,,Kijk nou, lieverd, dit kost zes euro.'' Blaffen doet hij niet, maar langzaam begint het naast mij naar beest te ruiken. Het ruikt eigenlijk best lekker.

Tien minuten voor de landing wordt de hond weer opgeborgen in de tas en lippenstift van Chanel tevoorschijn gehaald. Het bazinnetje heeft intussen contact gelegd met twee Nederlandse meisjes die op weg zijn naar Cuba. Ze stralen de weemoedigste hoop uit die de westerling kent: hoop op liefde in Cuba.

Mijn drieweekse rondreis door Europa loopt ten einde. Nog vier dagen Madrid. Marleen Mertens van de Universiteit van Padua zal een lezing houden getiteld: Het indirecte object: een ongrijpbare categorie. Oftewel, een conferentie voor docenten neerlandistiek uit Zuid-Europa, Turkije en Israël.

In de lobby van het treurige hotel staan al twintig docenten neerlandistiek uit Zuid-Europa opgewonden met elkaar te praten. Een van hen is op het vliegveld onwel geworden.

Ik bekijk de docenten van een afstandje, veel vrouwen, bijna allemaal boven de veertig. Ooit het vaderland ontvlucht in de hoop avontuur te vinden, of voor de liefde naar Napels verhuisd, of om te ontkomen aan al te bezorgde ouders afgereisd naar Portugal. En wat doe je als je eenmaal in Salamanca, Lissabon of Thessaloniki zit? Trouwen met een minnaar, misschien veertig jaar ouder en mank, maar toch, het is liefde en de Middellandse Zee is niet ver weg.

En dan zit je daar in Zuid-Europa waar het vaker regent dan je had gedacht, voor je het weet word je docent neerlandistiek en verandert het indirecte object in een ongrijpbare categorie.

Ik zie de gestranden, in hun leven is het namiddag geworden maar er schijnt nog een vaal zonnetje in de vorm van een tweejaarlijkse conferentie.

Er loopt een man rond met weelderig haar en een kettinkje in de kleuren van de regenboog waarop in verscheidene talen het woord `vrede' staat. Hij is geen docent, hij begeleidt zijn vrouw. Men kent hem van vorige conferenties, men noemt hem niet bij zijn naam, men noemt hem `de man van'.

Op de kamer wachten een fles rode wijn en een klein blikje olijven op mij. Ook in mijn leven is het middag geworden, het schoolreisjesgevoel dat gepaard gaat met dergelijke conferenties zorgt niet meer voor ergernis, maar voor lichte ontroering. Ik open het blikje olijven.

Alle docenten neerlandistiek lijken op elkaar, maar sommige toch iets minder dan andere. Ik breng een eresaluut aan de delegatie uit Ankara. Twee heren in donkerblauwe pakken. Geen Nederlanders, echte Turken. Zij zouden managers kunnen zijn in een pizzeria die met verlies draait, zij heten Mustafa en Musafer. Onafscheidelijk zijn ze. Tijdens een gemeenschappelijk diner 's avonds laat in een tapasrestaurant ontlaadt zich de spanning van het intensief discussiëren over genderlinguïstiek. Musafer schrijft gedichten, in het Nederlands, en nadat hij zijn productie van die ochtend laat lezen, alles op rijm, zegt hij: ,,Ik heb nog tien minuten om een meisje te vinden.''

,,Waarom tien minuten?'' vraag ik.

,,Omdat dan de laatste metro gaat'', zegt Musafer, ,,anders moet ik met een taxi naar het hotel.''

Zijn collega Mustafa heeft zich intussen om docente Karin uit Braga, Portugal, bekommerd. De docenten uit Zuid-Europa hebben de hoop op liefde nog niet opgegeven, maar Musafer zit alleen en wacht, in zijn binnenzak steekt een gedicht waarin hij de mensheid oproept het geweld te staken.

Af en toe kijkt hij op zijn horloge.

De godin van de liefde heeft erbarmen met de Turken. Nadat zij Karin in de schoot van Mustafa heeft geworpen, voert zij nu twee Spaanse meisjes het restaurant binnen en laat ze aan de tafel naast ons plaatsnemen.

Men zegt: ,,Musafer, bied ze iets te drinken aan.''

Men zegt: ,,Musafer, ga ernaast zitten.''

Men roept: ,,Musafer, grijp je kans.''

Weldra zullen tanden uitvallen en vetknobbeltjes in de nek worden vastgesteld, het schoolreisje kan niet eeuwig voortduren, er is haast bij, Musafer wil de laatste metro halen.

Nu doen zich linguïstische problemen voor. De Spaanse meisjes spreken alleen Spaans en Musafer spreekt geen Spaans.

Arthur, docent uit Madrid, werpt zich op als tolk.

Er wordt een fles Spaanse champagne voor de meisjes besteld. Musafer moet iets zeggen, maar wat? Hij staat op, hij loopt naar ze toe, hij kijkt om zich heen, hij wil niet praten, hij wil voelen. Zijn eerste vraag luidt, en weer komt zijn onverbiddelijke eerlijkheid me buitengewoon charmant voor: ,,Hebben jullie een vriend?''

Arthur vertaalt.

Ze hebben geen vriend.

Musafer kijkt weer op zijn horloge, de laatste metro is nog maar vijf minuten van hem vandaan.

Men roept: ,,Vraag hoe ze heten.''

Musafer vraagt. Ze heten Laura en Ana.

,,Wie moet ik kiezen?'' wil Musafer weten.

De blonde heet Ana, die met het bruine haar Laura.

En dan blijkt dat de Turk toch niet helemaal op zijn achterhoofd is gevallen. Musafer haalt het gedicht waarin hij de mensheid oproept het geweld te staken uit zijn binnenzak en zegt tegen Ana: ,,Dit heb ik voor jou geschreven.''

Laura is mooier dan Ana, maar Musafer wil met een blonde vrouw in de metro zitten.

Het werkt, Ana begint te stralen, en de tolk werpt zich als een uitgehongerde leeuw op Laura, die er zo treurig uitzag omdat ze in een van de treinen zat die zijn opgeblazen. Ik vermoed dat ze er ook al voor de elfde maart treurig maar mooi uitzag.

Aan het begin van de avond had Arthur nog verteld hoe de liefde voor zijn vaste vriendin steeds groter en groter werd, maar Laura is Laura.

Ik laat ze alleen en wend mij tot degene die aan de andere kant naast mij zit, Saadi uit Leuven. Zij zal spreken over geïntegreerde meting van taalvaardigheid in de praktijk.

,,De volgende keer'', zegt ze, ,,ben ik gewoon weer islamiet, want dan krijg je beter eten.''

,,Aha'', zeg ik, ,,jij bent een culinaire allochtoon.''

Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat het met de laatste metro niets meer wordt. Het gesprek tussen Ana en Musafer is stilgevallen, terwijl de tolk steeds gretiger op Laura inspreekt.

,,Mijn zus'', zegt Saadi, ,,is lesbisch geworden om mijn vader te pesten en ik wilde om dezelfde reden altijd met een jood trouwen.''

Ik stop nog een kikkererwtje in mijn mond.

,,Je moet het hem niet te moeilijk maken'', zeg ik. ,,Het is allemaal al erg genoeg voor hem.''

De tanden van Saadi zijn lichtelijk geel, maar dat hoort waarschijnlijk bij de culinaire allochtoon.

De groep wordt kleiner en verplaatst zich naar een volgend etablissement, de taalproblemen tussen Musafer en Ana worden groter. Pijnlijke stiltes worden gevolgd door stiltes die nog pijnlijker zijn. Eén klein kusje zou alles goed kunnen maken, maar het komt er niet van.

Saadi vertelt over een Marokkaanse zanger die nooit genot had gekend tot hij haar ontmoette. Er is zoveel troost nodig, je kunt hem wel blijven aanslepen.

De laatste avond zie ik Musafer en Mustafa plotseling in trainingspak.

,,Waar ga jullie heen?'' vraag ik.

,,We moeten nog wat boodschappen doen'', zegt Mustafa.

,,Om tien uur 's avonds, dat zullen speciale boodschappen zijn.''

,,Als je over ons gaat schrijven'', zegt Mustafa, ,,doe het een beetje voorzichtig, ik heb een vriendin in Ankara. Ze is in staat me het huis uit te jagen en mijn kleren te verbranden.''

,,Natuurlijk Mustafa'', zeg ik, ,,ik doe alles voorzichtig.''

Hij drukt me tegen zich aan, ik ruik zijn sterke deodorant, mijn neus steekt in zijn oksels.

,,Zo doen wij dat in Turkije'', zegt hij, ,,je moet ons snel komen opzoeken.''