Een prins die de ramen openzette

Prins Claus, in veel opzichten het Nederlandse equivalent van le roi triste, vergeleek zijn officiële bestaan als prins-gemaal soms met het leven in een vogelkooi. Veel vreugde beleefde hij er niet aan. Toen een paar Nederlanders, die hij in Tanzania had bezocht, eens bij hem op Huis ten Bosch kwamen, merkten ze op: ,,U woont hier prachtig''. Waarop de prins antwoordde: ,,Ja, maar ik vind het bij u tien keer zo gezellig.''

De anekdote komt voor in De wereld volgens prins Claus van de journalist Frans Bieckmann. Het boek biedt voor het eerst een tamelijk compleet, zij het soms wat uitgesponnen, overzicht van de ideeën van Claus over ontwikkelingssamenwerking en zijn bemoeienis ermee. De auteur sprak tientallen mensen in binnen- en buitenland die met Claus te maken hebben gehad. Daarnaast raadpleegde hij archieven, waar hij soms verrassende dingen vond. Zo dook hij in de National Archives in Washington stukken op over de periode van Claus als diplomaat in de Dominicaanse Republiek eind jaren vijftig.

Zijn werkzaamheden op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking boden Claus – binnen bepaalde marges – de kans te ontsnappen aan het immer knellende keurslijf van koninklijk protocol en veiligheidsagenten. Vooral achter de schermen wist de prins zich te ontwikkelen tot een in binnen- en buitenland gerespecteerd en invloedrijk deskundige.

Wat nog niet wil zeggen dat hij ook daadwerkelijk successen heeft kunnen boeken. Met lede ogen zag hij in de latere jaren van zijn leven aan hoe ondanks alle hulp de ontwikkeling in met name zijn geliefde Afrika maar niet op gang wilde komen.

Indringend beschrijft Bieckmann het bezoek dat Claus in 1995 met zijn zoon Willem Alexander bracht aan Tanzania, waar hij een gelukkige jeugd had doorgebracht als zoon van een Duitse koffieplanter. `Hij had zo graag zijn zoon willen laten zien wat er bereikt was', schrijft Bieckmann, `maar kon hem nauwelijks iets tonen. Claus kwam als een gebroken man terug, met slechts een herinnering aan vroeger.'

Deze ontnuchtering stond in schril contrast met de hooggespannen verwachtingen waarmee Claus vele jaren daarvoor aan het werk was getogen. Na een studie rechten deed Claus zijn eerste professionele ervaring in ontwikkelingslanden op als jong West-Duits diplomaat in de Dominicaanse republiek. In het interessante hoofdstuk dat Bieckmann hieraan wijdt (zie ook het Zaterdags Bijvoegsel van 3 april jl.) stuiten we op een heel andere man dan de wat melancholieke, ingekapselde prins-gemaal uit latere jaren.

Anders dan de meeste van zijn collega's was Claus eind jaren vijftig nauw betrokken bij het verzet tegen het brute bewind van de Dominicaanse dictator Trujillo. Uit vertrouwelijke stukken van de Amerikanen, die eveneens met Trujillo in hun maag zaten, blijkt dat zij Claus hoog aansloegen. Op een lijst van buitenlanders die voor Washington nuttig konden zijn na de val van Trujillo, stond Claus bovenaan. `Van alle buitenlandse diplomaten in de Dominicaanse republiek is er waarschijnlijk niet één zo'n onverzoenlijke tegenstander van het huidige regime. Deze diplomaat is een zeer intelligent en scherpzinnig individu, in staat tot slimme politieke analyses', oordeelde de Amerikaanse consul ter plaatse. Niet voor niets werd Claus bij zijn dood in 2002 door een lokale krant bezongen als `een Dominicaanse held'.

Zijn eerste ervaring met ontwikkelingshulp deed Claus op in West-Afrika. Vanuit de ambassade in Ivoorkust moest hij projecten in de regio op gang brengen. Na wat duw- en trekwerk slaagde hij erin een fotolaboratorium te regelen voor het persagentschap van Niger. Met de hem eigen milde ironie vertelde Claus later: ,,En daar was dan het eerste ontwikkelingsproject dat ik voor zwart Afrika ontwikkelde: een donkere kamer.''

Claus genoot van het ontwikkelingswerk, al zou men dat misschien niet meteen van hem hebben verwacht. De prins voerde als diplomaat immers een vorstelijke staat, speelde veel golf en was de trotse bezitter van een Porsche. Bieckmann wijst er in dit verband op dat Claus als het erop aankwam meer belangstelling voor het intellectuele debat over ontwikkelingskwesties had dan voor de gewone man. Hij las er veel over en bouwde door de jaren heen een groot eigen internationaal netwerk op van prominente contacten.

Na een intermezzo op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Bonn kwam er halverwege de jaren zestig een eind aan de diplomatieke carrière van Claus door zijn huwelijk met Beatrix. Ook als prins-gemaal wierp Claus zich echter weer op de ontwikkelingssamenwerking. In 1970 werd hij voorzitter van de Nationale Commissie Ontwikkelingsstrategie (NCO), die de bewustwording in Nederland over het belang van ontwikkelingshulp moest vergroten.

Een eenvoudige opgave was het niet. Nederland zat midden in het tijdperk van de polarisatie en ontwikkelingshulp stond in het brandpunt van de belangstelling. Claus had al zijn diplomatieke gaven nodig om de NCO met zijn bestuursleden uit diverse maatschappelijke organisaties niet te laten ontsporen en tegelijk niet in opspraak te komen als man van de kroonprinses.

Uiteindelijk liep het toch spaak. Tot woede van het kabinet-Biesheuvel besloot de NCO tot een subsidie van 9.500 gulden aan een actie om koffie uit het toen koloniaal bestuurde Angola te boycotten. Een bescheiden subsidie van de NCO voor het toneelstuk `Een schoen voor het schorem' leidde tot een nieuwe confrontatie met het kabinet. Naar de smaak van de christelijk-gereformeerde minister Boertien werd er te veel in gevloekt. Boertiens opvolger Pronk maakte in 1973 ten slotte een einde aan het voorzitterschap van prins Claus. Pronk wenste volgens Bieckmann zelf meer greep op de NCO te krijgen.

Daarmee kwam tot Claus zijn verdriet een eind aan de enige functie, waarin hij echt leidinggevend is geweest. Hij bleef nadien weliswaar betrokken bij ontwikkelingssamenwerking maar werd door achtereenvolgende kabinetten meer in de politieke luwte geplaatst, zeker nadat Beatrix in 1980 koningin was geworden. Hij werd eerst voorzitter van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers (SNV) en later adviseur van de minister van Ontwikkelingssamenwerking. De prins was er niet echt gelukkig mee maar maakte er het beste van. Op grond van talloze reizen en veel kennis van zaken bleef hij kritische vragen stellen, doorgaans op de van hem bekende licht ironische wijze. In de woorden van een oud-ambtenaar: ,,Prins Claus bood consequent een ander perspectief, zette de ramen open. Terwijl ambtenaren graag de ramen dichtdoen.''

De ideeën van Claus waren steeds in beweging, al bereed hij consequent een aantal stokpaardjes. Zo hamerde hij op respect voor de ontwikkelingslanden. Die moesten zelf de prioriteiten voor hun beleid vaststellen. Dat moest niet door anderen worden opgelegd, iets waar velen in Nederland een handje van hadden. Ook was een vast punt van Claus dat de donoren hun hulp op elkaar moesten afstemmen.

Al was Claus een onafhankelijke denker, ook hij liet zich soms door bepaalde modes meeslepen. Zo koesterde hij een diepe bewondering voor de Tanzaniaanse leider Julius Nyerere. Maar diens nogal socialistisch getinte benadering pakte uiteindelijk in sociaal-economisch opzicht rampzalig uit voor het ook door Claus zo beminde Tanzania. Zoals Claus in 1995 met eigen ogen kon zien.

De euforie over de mogelijkheden van de ontwikkelingshulp, die zich aanvankelijk ook van Claus had meester gemaakt, verdampte in de jaren tachtig en negentig. Hoe langer hoe meer raakte hij ervan overtuigd dat cultuur in de breedste zin van het woord van beslissend belang is voor een succesvolle ontwikkeling. ,,Pogingen tot versnelling van economische processen boven wat cultureel geabsorbeerd kan worden, leiden hoogstens tot het ontstaan van een elite met gedeeltelijk westerse waarden, die conflicteren met die van de rest van de bevolking, ten nadele van beide groepen'', waarschuwde Claus al in 1984. Zoveel hij kon probeerde hij dat besef ook op het ministerie van Buitenlandse Zaken en onder zijn vele internationale contacten uit te dragen. Ondanks zijn toenemende scepsis over ontwikkelingshulp trok de prins echter nooit de uiterste consequentie dat alle hulp maar beter kon worden gestaakt. Hij bleef hopen op een betere wereld.

Frans Bieckmann: De wereld van prins Claus. Mets & Schilt, 384 blz. €25,–