Diagonaal in het gelid

Voor een grafisch ontwerper die een boek dat over hemzelf gaat vorm geeft, is zelfbevlekking onvermijdelijk. Berucht is De handen van de zeven zusters van de praatgrage typograaf Gerrit Noordzij. Hij tekende niet alleen voor de tekst, maar ook voor het lettertype, de typografie, band en omslag. Hopelijk is Noordzij niet verantwoordelijk voor de buikbandwerftekst waarin hij een `schrijver-kunstenaar' wordt genoemd. Zo kan de vernuftige ontwerper Piet Gerards (Heerlen, 1950), hopelijk, niet worden aangerekend dat zijn hagiograaf Ben van Melick regelmatig de weg kwijt raakt in zijn eigen woordmoeras. Wat te denken van een typische Van Melick-zin als `Werd tot 1990 het letteraanbod meegewogen in de keuze voor een bepaalde drukker, sinds de Apple/Macintosh-revolutie, de grote sprong voorwaarts, wordt uitsluitend op drukkwaliteit en begeleiding gekozen'? Gingen toen opeens ook alle zetterijen failliet, vraagt de argeloze lezer zich af, en wat heeft Mao daar mee te maken?

Dankzij de tekstbijdragen van de hoofdpersoon is Werktitel: Piet Gerards, grafisch ontwerper toch een leesbaar plaatjesboek. Ontwapend klapt Gerards uit de school. `Het omslag is een compromis onder tijdsdruk: het was mijn bedoeling het boek te binden in een papieren band.' En, over zijn postzegelontwerpen uit 1999: `uit de rechteroksel van de N is een stukje beeld weggehaald.' Dat ziet elke filatelist, maar de reden voor die chirurgische ingreep blijft onduidelijk.

Piet Gerards' werk is schatplichtig aan dat van de Duitse typograaf en letterontwerper Jan Tschichold en aan dat van El Lissitzky. De grap is dat Tschichold, om met Gerrit Noordzij te spreken, `in de twintiger jaren met zijn propaganda voor moderne typografie ten strijde trok tegen de traditionele typografie. Na de oorlog maakte hij propaganda voor de traditionele typografie'. Net als Lissitzky lijkt Gerards te vaak te denken: waarom een titel recht zetten als het ook scheef, ondersteboven of diagonaal kan? Meer dan vijfeneenhalve eeuw wordt er inmiddels met letters gedold, geschoven en gemanipuleerd. Letters laten zich nu eenmaal gewillig misbruiken, zeker in het digitale tijdperk.

Het interessantste tekstdeel van het boek zit verborgen in de staart. Daar wordt Gerards ontwikkeling inzichtelijk. Van mislukt priester tot welzijnswerker, van politiek activist tot postmoderne anarchist, van pseudo-bibliofiel uitgever, en veellezer, tot verbeten communistenvreter die Theun de Vries op zijn sterfbed nog even wil vragen hoe het precies zit met diens vertaling van Solzjenitsyns roman over de Goelagkampen, Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj. Tussen neus en lippen door wordt Elsbeth Etty verweten dat zij `elk misbaksel van De Vries in mijn NRC bespreekt'.

Onthullend is het interview dat Van Melick zijn protagonist afnam. Gerards roemt een reeks collega's, maar vergeet Kees Nieuwenhuijzen te noemen. Ook Otto Treumann en Hermann Zapf, Susanne Heynemann en Henri Friedlaender schitteren door afwezigheid. Zonneklaar is dat Piet Gerards weet waar hij de mosterd kan halen, maar weigert te verklappen waar het potje staat: Klaus Staeck, de commercieel politieke zeloot van Joseph Beuys. Een en ander neemt niet weg dat dit een ordentelijk getypografeerd boek is. Een ego- en een tijdsdocument tegelijk. Treurig is dat de auteur zo weinig verstand heeft van de materie, zoals zijn potsierlijke lijst `geraadpleegde literatuur' aantoont.

Ben van Melick: Werktitel: Piet Gerards, grafisch ontwerper. 010, 368 blz. €31,50