De puistenkoppies recidiveren het vaakst

Jongens die op vroege leeftijd een zedendelict begaan, worden behandeld in Harreveld. Uit een recent rapport blijkt dat er twee sterk verschillende typen delinquenten bestaan.

Een jongen van veertien randde in groepsverband verscheidene meisjes aan. Een jongen van zestien verkrachtte een invalide vrouw. Een jongetje van elf liet steeds op straat zijn broek zakken en kreeg daar een kick van. Een jongen van dertien misbruikte zijn achtjarige buurjongetje in het schuurtje.

De zedendelicten die de jongeren hebben gepleegd die in de particuliere justitiële jeugdinrichting Harreveld opgesloten zitten, zijn heel divers. Harreveld is landelijk specialist in de behandeling van jeugdige zedendelinquenten. Een behandeling duurt gemiddeld twee tot tweeënhalf jaar. De hoop is dat de jongens in die tijd voldoende zelfinzicht hebben gekregen en hun impulsen in bedwang weten te houden, zodat ze geen zedendelicten meer plegen. De brandende vraag is: lukt ze dat?

Voor het eerst wordt in Nederland gerapporteerd over de recidive van jeugdige zedendelinquenten. Catrien Bijleveld en Jan Hendriks onderzochten de recidive van 114 jongens die tussen 1988 en 2001 na behandeling de particuliere jeugdinrichting Harreveld verlieten. Zij waren op het moment dat ze het zedendelict pleegden, tussen de zeven en negentien jaar oud. Catrien Bijleveld is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving en hoogleraar methoden en technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Jan Hendriks is ontwikkelingspsycholoog en hoofd afdeling jeugd van de forensische polikliniek De Waag in Den Haag.

De onderzoekers onderscheidden twee groepen jeugdige zedendelinquenten: de `obsessieven' en de `opportunisten'.

De obsessieven kiezen meestal een jonger kind als slachtoffer, het leeftijdsverschil is meestal vijf jaar of meer. De gemiddelde leeftijd van hun slachtoffer is bijna acht jaar.

De opportunisten daarentegen kiezen vaak leeftijdgenoten als slachtoffer. De gemiddelde leeftijd van hun slachtoffer is zestien jaar. In Harreveld worden sinds drie jaar de obsessieven en opportunisten apart behandeld.

Jeugdige zedendelinquenten vormen een zeer heterogene groep, zeggen de onderzoekers. Ze plegen zeer verschillende delicten (van exhibitionisme tot gewelddadige verkrachting), ze kiezen verschillende slachtoffers (van heel jonge kinderen tot volwassenen), ze plegen het zedendelict alleen of in een groep en hebben verschillende motieven.

Bijleveld en Hendriks willen maar zeggen: generaliseren is lastig. Toch bleken er veel meer overeenkomsten te zijn tussen de obsessieven onderling en de opportunisten onderling dan alleen de leeftijd van het slachtoffer. De obsessieven zijn meestal sociaal geïsoleerde en onzekere pubers, ze hebben geen vrienden van hun eigen leeftijd en ze worden gepest. Ze hebben vaak problemen in sociaal en emotioneel opzicht en zijn neurotisch. Obsessieven zijn meestal autochone jongens.

De opportunisten daarentegen zijn vaak machotypes met antisociale trekken. Ze hebben een zwak empathisch vermogen. Van de opportunisten is eenderde deel allochtoon. Hendriks: ,,Uit eerder onderzoek van ons kwamen al aanwijzingen naar voren dat het beter zou kunnen zijn de opportunisten niet met de obsessieven te behandelen. Vroeger zaten de kleine puistenkoppies tussen de antisociale types. Dat wrong.''

De opportunisten plegen het zedendelict meestal impulsief. Hendriks: ,,Er doet zich een gelegenheid voor. De jongen pleegt 's nachts een inbraak in een woning en vindt daar een vrouw in bed. Hij pakt haar.''

Obsessieven kunnen juist weken of zelfs maanden van tevoren bezig zijn met het voorbereiden van het zedendelict. Ze leggen contact met het jonge slachtoffer, proberen het vertrouwen te winnen. Obsessieven zijn op het moment van het delict meestal jonger dan de opportunisten, een aantal van hen is zelfs heel jong. Bij drie van de onderzochte dossiers betrof het jongens van zeven, acht en negen jaar. Zij hadden onder meer de schaamstreek van kleine meisjes betast. Bijleveld: ,,Je kunt je wel afvragen of dat echt zedendelinquenten zijn. Je kunt ook stellen dat het kinderen zijn die seksueel afwijkend gedrag vertonen.''

Uit het huidige onderzoek blijkt de groep obsessieven en de opportunisten een opvallend verschillend recidivepatroon wat betreft zedendelicten te hebben. De tien procent van de jongeren die recidiveerden, bleken allen obsessieven. Het risico op zedenrecidive is het grootst (38 procent) bij jeugdige zedendelinquenten die een meisje van (zeer) jonge leeftijd misbruikten buiten hun eigen familie.

Hendriks: ,,Die jongeren zouden dus na ontslag heel goed begeleid moeten worden.''

Bijleveld: ,,De opportunisten kun je blijkbaar na behandeling rustig laten vertrekken. Tenminste wat betreft de zeden dan.'' Want van de vijftig procent die naar een niet-zedendelict recidiveerde waren de opportunisten weer oververtegenwoordigd. Bovendien waren de niet-zedendelicten die zij pleegden ernstiger dan de niet-zedendelicten die obsessieven na behandeling pleegden. In totaal pleegde bijna zestig procent van de jeugdige zedendelinquenten na behandeling weer een delict.

De vraag dringt zich op of de opportunisten als zedendelinquenten moeten worden behandeld zoals nu gebeurt. Hendriks: ,,Het lijkt ons beter om hen als geweldsdelinquenten te behandelen. Seksualiteit kan dan een onderdeel van de behandeling zijn.''

Bij de obsessieven, op een paar ernstig beschadigde jongens na, hangt het zedendelict vaak samen met de ontluikende seksualiteit en hun onvermogen contact te maken met leeftijdgenoten. Ze richten hun drang tot experimenteren op de jonge kinderen, waar ze door hun sociaal-emotionele achterstand toch al vaak mee omgingen. Hendriks: ,,En als het een paar keer is gebeurd, dan blijven ze het soms doen. Het wordt een gewoonte.''

Uit het rapport blijkt ook dat de meeste recidive plaatsvindt in de twee jaar na ontslag uit Harreveld. Hendriks: ,,Je zou jongeren wellicht eerder kunnen uitplaatsen en ze buiten beter begeleiden. De behandeling kan ook voortgezet worden bij een forensische polikliniek. Nu verdwijnen veel jongeren na behandeling uit het zicht. Op een gegeven moment is een jongen uitbehandeld. Als je zo iemand langer laat zitten, werkt het alleen maar contraproductief. Harreveld is een proefspeeltuin. De jongeren zijn geïsoleerd van de buitenwereld waardoor ze er ook van vervreemden. Hoe korter dat voortduurt, hoe gezonder dat is.''