De moeder van alle nederlagen

Het voetbaljaar 1974 geldt nog steeds als een nationaal trauma, met de nederlaag van Oranje tegen Duitsland in de finale om het wereldkampioenschap. Maar die roemloze ondergang staat ook voor een tijdperk waarin wij dachten de wereld een lesje te leren.

Het zijn de eenzame sporthelden die beklijven. Nadat Duitsland het wereldkampioenschap voetbal in 1974 tegen ieders verwachting heeft gewonnen, is er iemand die maar half in de vreugde deelt. De Duitse coach, Helmut Schön, is achtergelaten door de feestende spelers, die volkomen op hem zijn uitgekeken. Geheel aan zichzelf overgeleverd zoekt hij soelaas in de drank en kan daarna zijn hotel niet meer terugvinden: `Na een zoektocht langs de grote hotels van München vond hij een plekje in het Holliday Inn, zonder pyjama, zonder tandenborstel, zonder alles.' Troostelozer kan het niet: deze verlaten trainer met zijn ruitjespet roept een grote genegenheid op.

De verloren finale staat een generatie Nederlanders in het geheugen gegrift. Het begon zo goed: de eerste minuten speelde Nederland veertien keer over zonder dat de tegenstander de bal aanraakte. Toen begon Cruijff aan een rush, tot hij werd neergehaald. Een penalty volgde, nog nooit vertoond zo vroeg in een finale van het wereldkampioenschap. Een moedige beslissing van de scheidsrechter, hoewel achteraf blijkt dat Cruijff niet in maar net buiten het stafgebied was gehaakt. Terwijl Neeskens een aanloop neemt roept Beckenbauer tegen zijn keeper: ,,Sepp, rechts van je!'' Neeskens aarzelt, wil de andere hoek uitkiezen, maar komt ergens tussen beide voornemens uit: hij jaagt de bal dwars door het midden, een wolkje krijt stuift op van de stip, de keeper die al naar rechts is gedoken heeft geen kans, en het staat 1-0.

Daarna gaat het verschrikkelijk mis. Hoogmoed krijgt Oranje in zijn greep: al vroeg beginnen de spelers op een tergende manier de bal rond te spelen om de tegenpartij te vernederen. En dat in het eigen stadion, in München nog wel! Geen goed idee, geheel in lijn met de slechte voorbereiding, die ook al een misplaatste zorgeloosheid verraadt. Doelman Jan Jongbloed noteert de avond voor de finale in zijn dagboek: `Nog geen bespreking gehad. Dat zal morgenochtend na het ontbijt wel gebeuren. Gute Nacht.' Ja, zeg dat wel.

Terwijl de Duitsers zich minutieus voorbereiden en al dagen tevoren naar München gaan om te wennen, komt het Nederlandse elftal pas laat op de dag voor de finale aan. De `spion' Cor van der Hart – degene die de tegenstanders bekijkt – is al een paar dagen eerder na een dronken rel weggestuurd. De tegenpartij ach, wij spelen toch op hun helft, zij moeten zich aan ons aanpassen, niet omgekeerd. Eigenlijk wáren we al wereldkampioen van het mooiste voetbal – sprak de Britse pers niet lovend over `Clockwork Orange'– , waarom zouden we dan ook nog eens gelijk willen krijgen? Ziedaar het gidsland ten voeten uit: wie geen macht vertegenwoordigt kan altijd nog de moraal omarmen.

Het is een van de lessen die, naast de vele anekdotes, te lezen zijn in 1974 Wij waren de besten, dat aanstaande woensdag wordt gepresenteerd. Journalist Auke Kok heeft een meesterlijk boek geschreven over het wereldkampioenschap voetbal van dat jaar, waarin Nederland tegen het grote buurland ten onder ging. Niet alleen weet hij de spanning van het toernooi op te roepen, maar hij plaatst het voetbal op een onnadrukkelijke manier in de context van de jaren waarin alles anders moest. Zo ontstaat een fraai tijdsbeeld. Alle bevangenheden van een samenleving die dacht open te staan voor de wereld worden gaandeweg duidelijk.

Het zijn de jaren waarin de wederopbouw is voltooid. De armoede die werd bestreden met hard werken en eens in de week vlees op tafel, is goeddeels overwonnen. Begin jaren zeventig schakelt Nederland massaal over van zwart-wit naar kleurentelevisie. Voor de eindronde van het wereldkampioenschap worden meer dan honderdduizend toestellen verkocht, de kleur is dan nog niet erg stabiel, maar toch: een andere tijd breekt aan.

Kok laat zien hoe het voetbal de spiegel is waarin al deze veranderingen worden opgevangen en uitvergroot. Neem zijn portretten van de spelers van Oranje, die op een mooie manier in het verhaal zijn geweven. Vrijwel alle spelers komen uit arme gezinnen en hebben zich tegen de verdrukking in een plaats in de wereld gevoetbald. Libero Ruud Krol, die zo sierlijk als een mediterrane halfgod over de velden bewoog, wordt als achtjarig jongentje getroffen door de Aziatische griep. Hij kan nauwelijks meer lopen en moet een jaar lang worden verpleegd in een ziekenhuis en sanatorium.

De jaren voor het wereldkampioenschap zijn ook die van een opstand tegen het gezag, en dat is ook de voetballers niet ontgaan. Willem van Hanegem merkt op, wanneer de spelers op Huis ten Bosch worden ontvangen: ,,De koningin laat mij volkomen koud.'' Die Juliana interesseerde hem ,,geen zier''. ,,Iedereen is voor mij gelijk.'' In de tuin van het Catshuis wordt later dezelfde dag de polonaise gehost, ook al zo'n ritueel waarbij alle standsverschillen worden opgeheven. Zo simpel mogelijk, dat is het devies, niemand is meer waard dan de ander.

De Nederlandse spelers laten zich over het geheel genomen niet eenvoudig beteugelen. Zelfs een onbuigzame trainer als Rinus Michels valt het moeilijk om de orde in het spelershotel te handhaven. Vooral omdat hij tijdens het wereldkampioenschap voortdurend op en neer moet naar Barcelona, waar zijn club is verwikkeld in een bekertoernooi (de `Copa del Generalissimo': het zijn nog de jaren van Franco). Vrouwen, drank, feest: het moet een vrolijke boel zijn geweest in het idyllische Hiltrup in de buurt van Münster, waar de spelers waren ondergebracht. Journalisten keken er hun ogen uit: zou die losbandigheid misschien helpen bij het voetbal? Hun berichten maakten de spelers van de Duitse selectie opstandig: waarom die Hollanders wel en zij niet?

In deze sfeer ontstaat het befaamde `zwembad-incident'. Een week voor de finale plaatst Bild Zeitung een artikel over de uitspattingen in het Nederlandse kamp. Vooral een naaktzwempartij trekt alle aandacht, maar de journalist die het hotel is binnengekomen (onder het voorwendsel een pastaverkoper te zijn), kijkt ook overigens zijn ogen uit. Niet alleen blijkt Cruijff een kettingroker, maar hij en de anderen drinken er rustig op los tot diep in de nacht. Het artikel – onder de intrigerende kop `Cruyff, Sekt, nackte Mädchen und ein kühles Bad' – veroorzaakt veel ophef, niet in het minst bij de spelersvrouwen. Vooral Danny Cruijff belt voortdurend en omdat de enige telefoon in de hal van hotel hangt, is iedereen getuige van de ellenlange gesprekken met een bezwete Johan, die alles probeert uit te leggen maar daar op de een of andere manier niet helemaal in slaagt.

Michels probeert nog wel het groepsgevoel te versterken na het incident door te spreken over een `koude oorlog' van de Duitsers toepasselijk want Willy Brandt is een paar weken eerder afgetreden wegens een spionageaffaire van Oost-Duitse zijde – maar bij sommigen lijkt de concentratie niet optimaal aan de vooravond van de finale. De maand in Hiltrup lijkt te veel van het goede te zijn geweest. De meeste spelers willen maar één ding: naar huis. Dat is wel ontnuchterend: terwijl iedereen aan het thuisfront op was van de zenuwen over de naderende wedstrijd, lijken de spelers met hun hoofd bij andere dingen te zijn.

Uit het boek van Kok wordt duidelijk dat de opstand van de spelers vooral gericht was tegen het amateurisme van de voetbalbestuurders. Cruijff en de zijnen wilden als kinderen van hun tijd zelfs in staking gaan met als doel een forse verhoging van de premie bij het halen van het wereldkampioenschap. Het zijn de jaren waarin Cor Coster, schoonvader van Cruijff, zich gaat bemoeien met contractonderhandelingen en voor een kleine revolutie zorgt. Nivellering bleek uiteindelijk in de samenleving als geheel van korte duur: de voetballers die geen dief van hun eigen portemonnee wilden zijn, liepen daarbij voorop. De uitwijk naar het buitenland was al te vaak ook de vlucht naar een `beter belastingklimaat', zoals Neeskens voorrekende. Rensenbrink, die net als Cruijff niet onder contract stond bij Adidas maar bij Puma, probeerde zijn rol op het wereldkampioenschap te verzilveren. Een dag na de finale kon hij op Schiphol een enveloppe met tienduizend gulden van zijn sponsor in ontvangst nemen. Zwart, zoals de nieuwe vrijheid voorschreef.

Nu is dat een lachwekkend gering bedrag in de voetbalwereld, maar het was een teken dat de afbraak van traditionele verhoudingen het mogelijk maakte dat iedereen voortaan zijn waarde op de markt kon bepalen. De jaren zestig brachten een vrijheid met zich mee die zo de opmaat bleek voor een grotere ongelijkheid. Of het jaar 1974 inderdaad een breuk is en eigenlijk het einde van het optimisme van de jaren zestig inluidt, zoals Kok beweert, kan worden betwijfeld. Eerder werden in de jaren daarna veel van de vrijheden van de voorhoede een dalend cultuurgoed. De democratisering betekende het einde van een subcultuur en het begin van de massacultuur, waarin we alle vrijheden van die tijd op een soms karikaturale manier terugzien. En de voetbalwereld is daar bij uitstek het voorbeeld van geworden.

In een ander opzicht vormde die eerste helft van de jaren zeventig wel een keerpunt. De veiligheidsmaatregelen tijdens het kampioenschap zijn excessief uit angst voor terroristische aanslagen. Na de Olympische Spelen van 1972 en de bloedige Palestijnse aanslag op de Israëlische atleten daar, neemt niemand meer enig risico. Nederland liep extra gevaar door de pro-Israëlische houding van de regering. De Rote Armee Fraktion maakt het er allemaal niet beter op. Het spelershotel wordt dan ook afgeschermd met prikkeldraad en bewakers. Cruijff krijgt twee agenten bij zich en geeft geheel eigen commentaar: ,,Zolang ze erover praten is er niets aan de hand. Als je niets meer hoort wordt het gevaarlijk.''

Hoe schrijf je een spannend boek terwijl iedereen al bij voorbaat weet dat het slecht afloopt? Dat is een hele kunst, maar Auke Kok slaagt volledig in zijn opzet. Het drama wordt van binnenuit zichtbaar gemaakt: van de meligheid in het spelershotel tot aan de opwinding van het eigenzinnige voetbal. Het Nederlands elftal van 1974 was inderdaad fantastisch. En dan toch verliezen. De herbeleving van dat trauma werkt louterend, want al is de nederlaag inmiddels dertig jaar geleden, de wonden zijn nog opvallend vers. Een gevoel van berusting deelt zich aan de lezer mee. Na een dikke driehonderd bladzijden wordt de onvermijdelijkheid van de moeder van alle nederlagen ineens duidelijk: het moest wel zo gaan.

Eén van de zeven hoofdzonden de hoogmoed vat het hele verhaal samen. De roes van de superioriteit botst op de weerbarstige werkelijkheid. Niet dat het onmiddellijk opviel: na de verloren finale worden de spelers vorstelijk onthaald en klinkt het `Nederland wint de wereldcup' evengoed. Het kwam in de buurt van de leuze waarmee een deel van de natie zichzelf op een ander terrein voor de gek hield: `het tweede kabinet-Den Uyl komt er wel'. We weten hoe het is gegaan: het kabinet kwam er niet, het wereldkampioenschap evenmin. Dat is geen toeval: het gidsland dat zich op de borst klopt maar daarin geen vorm van chauvinisme herkent, heeft iets merkwaardigs. De morele eigendunk werd gevierd als een afscheid van de bekrompenheid: wij gingen de wereld een lesje leren, ook in het voetbal.

Opvallend genoeg werd de geboorte van de `Oranjegekte' in die zomerse dagen van 1974 voorafgegaan door een lauwe stemming. Auke Kok schrijft: `Tussen de houding van de Britse en de Hollandse fans zat een lichtjaar verschil. Oranje had geen legioen, er was geen band, geen geschiedenis van beloften die werden ingevuld.' Hoewel Ajax en Feyenoord het Europees heel goed deden, sukkelde het Nederlands elftal. Bij oefenwedstrijden kwamen weinigen kijken en pas op het wereldkampioenschap slaat het enthousiasme toe. Tot op heden heeft de Oranjekoorts iets kunstmatigs: het overschreeuwen ligt nooit ver weg, bij de toeschouwers zomin als bij de spelers. De onzekerheden van een klein land slaan al te gauw om in zelfgenoegzaamheid: `Oranje-Blanje-Blind'.

Kijk naar de manier waarop de finale werd voorbereid en gespeeld. Nederland tegen Duitsland en dan ook nog in München, het moest wel alle sentimenten over oorlog, vijand en verzet oprakelen. Auke Kok moet daar niets van hebben: `Van een afstand bezien voldeed Michels veel meer aan het Duitse stereotype zoals menig Nederlander dat na de oorlog hanteerde dan de zacht pratende Schön. Omgekeerd deed Schön met zijn soms weifelachtige luisterhouding in Duitse ogen eerder Hollands aan dan Duits.'

Zo lossen bij wel meer van de vijandbeelden op in persoonlijke lotgevallen. Schön, vluchteling uit Oost-Duitsland die het bombardement op Dresden had overleefd, ging er bijna aan onderdoor toen zijn team het duel op het wereldkampioenschap tegen de DDR verloor. Omgekeerd kan men van een enkeling de anti-Duitse sentimenten nog wel begrijpen. Zo verloor Van Hanegem aan het einde van de oorlog zijn vader en broer bij een bombardement op het Zeeuws-Vlaamse stadje Breskens.

Het kenmerkt de evenwichtige benadering van Auke Kok dat hij de climax beziet door de ogen van de scheidsrechter Jack Taylor, die ook weer voorbeeldig wordt geportretteerd. Hoezeer de overlevering ook schreeuwt om partijdigheid, de schrijver beschouwt het gewoel op het veld met weldadige nuchterheid, dat wil zeggen: hij maakt korte metten met de gedachte dat we eigenlijk hadden moeten winnen. Zo slecht waren de Duitsers nu ook weer niet. Sterker nog, in de tweede helft werd een zuiver Duits doelpunt afgekeurd wegens vermeend buitenspel en werd hen ook nog een strafschop onthouden. Kok concludeert: het had ook 3-1 of 4-1 voor Duitsland kunnen worden. Dat zijn harde waarheden.

Auke Kok heeft een verhaal geschreven zonder de moraal er dik op te leggen. Die kan iedereen er zelf wel bij verzinnen. Zijn boek is misschien nog wel het meest een bijdrage aan de Nederlands-Duitse verzoening, een soort Wiedergutmachung maar dan van onze kant. Geen overbodige luxe, immers het aftellen is begonnen naar weer een beladen Nederland-Duitsland, nu op het Europees Kampioenschap in juni.

Wat overblijft, zijn vooral de individuele verhalen. Misschien zegt dat alles over een tijd waarin iedereen vooral zichzelf wilde zijn, met Cruijff in de hoofdrol van allesweter en alleskunner. In zijn schaduw stond Piet Keizer, die tegen ieders verwachting niet mocht invallen in de tweede helft van de finale. ,,Kerkhof omkleden'' klonk het uit de mond van Michels, uitleg was niet zijn sterkste punt. De volkomen verbouwereerde Keizer de linksbuiten van Ajax, die ooit nog een fabuleus doelpunt scoorde tijdens de modderwedstrijd tegen Fenerbace in Istanbul – zou hem dat tot in lengte van jaren kwalijk nemen. Vier maanden later beëindigde hij zijn loopbaan. Tijdens de feestelijkheden in Nederland verborg hij zich achter een zonnebril en kneep er al vroeg tussenuit. Kort nadat zijn medespelers zich hadden laten fêteren op het balkon van de Schouwburg aan het Leidseplein, zat hij stilletjes om de hoek te eten in restaurant de Oesterbar, met zijn gezin.

Auke Kok: 1974. Wij waren de besten. Thomas Rap, 365 blz. €18,90