De brandslang

Mijn moeder vond dat ik een beetje te dik werd en daarom deed ze me op roeien. Dat was vaak heel leuk, zo in je eentje of met anderen in een bootje op het water.

Maar soms was het ook heel koud en nat, en daarvan hield ik helemaal niet.

Op een keer kwam ik doodmoe terug van het varen in een skiff, zo'n lange, slanke 1-persoonsboot. Ik wilde aanmeren, maar toen kwam Eva eraan, een meisje op wie ik al heel lang heel erg verliefd was (zij helaas niet op mij). Omdat ze een beetje een rare bui had die middag pakte ze de stuurboordriem van mijn boot beet en tilde hem zo hoog op dat ik omsloeg. Mijn verliefdheid was meteen over.

Nog erger was dat op het balkon van de roeivereniging allemaal grote mensen toekeken hoe ik in het water lag te spartelen en de wal probeerde te bereiken. Ze lachten me uit terwijl ze van hun koffie of bier dronken. Ik voelde me steeds ongelukkiger worden, want niets is zo erg als grote mensen die om je lachen.

Toen ik eenmaal weer op de wal stond en het water uit mijn trainingspak druipte, voelde ik dat ik dit niet zo maar kon laten gebeuren als ik de rest van mijn leven nog een normaal mens wilde blijven. Ik keek om me heen op zoek naar een bondgenoot. En toen, ja, toen zag ik hem, in de vorm van de brandslang die in de botenwerkplaats hing. Ik rende op hem af en rolde hem uit.

Op het balkon waren ze me intussen al weer vergeten. Eva maakte zich op om zelf te gaan roeien. Ik draaide de brandslang open en richtte hem daarom eerst op haar. De krachtige waterstraal wierp haar meteen uit haar boot. ,,Stom kind'', zei ik nog, toen ze begon te huilen.

Op het balkon werd nu opnieuw gelachen, maar niet voor lang. Want toen ik me omdraaide richtte de brandslang zich bijna uit zichzelf naar boven en spoot alle grote, lachende, koffie- en bierdrinkende roeiers nat. ,,Dat zal jullie leren'', riep ik. ,,Ik nat, jullie ook nat.'' Tafeltjes werden omvergeblazen, het geluid van brekende koffiekopjes en glazen klonk, net als het gegil van vrouwen die hun haar droog wilden houden. Ik voelde me ineens heel fijn, vooral toen ik door de waterstraal heen ook nog een regenboogje zag.

Maar ineens was het afgelopen. Iemand had de waterkraan dichtgedraaid. Er kwamen nu twee grote mannen op me af met grijpgrage armen. Ik rende om de botenloods heen naar het met dicht struikgewas begroeide landje. Daar bleef ik wachten totdat iedereen weer was opgedroogd. Ik ben geloof ik nog nooit zo gelukkig geweest als die ene middag, en dat allemaal dankzij die brandslang en natuurlijk die mooie regenboog.