Broederschap ligt nu op de brancard

Heel Europa breekt zich het hoofd over islam en immigratie, maar intussen knarst de verzorgingsstaat in alle voegen. Redding is mogelijk, maar alleen als eindelijk afscheid wordt genomen van sociale romantiek.

Het debat over immigratie dreigt een bliksemafleider te worden voor de werkelijke problemen waarvoor Nederland en Europa staan. De suggestie dat moet worden gekozen tussen ofwel het handhaven van de verzorgingsstaat ofwel het toelaten van zoveel migranten, is onjuist. Hoe de migratie ook verder verloopt, de verzorgingsstaat zal op de schop moeten.

Wil een duurzame erosie van de sociale stelsels in West-Europa het hoofd worden geboden, dan is structurele hervorming onontkoombaar. De demografische tijdbom zal het aantal 65-plussers in de Europese Unie doen stijgen van 23 procent tot 39 procent van de bevolking in 2030. De mondialisering leidt tot verhevigde concurrentie en verdere overheveling van productie naar landen buiten Europa. De transformatie van een industriële naar een kennissamenleving vergt investeringen in scholing van werknemers, maar ook in laag opgeleiden.

Daarbij komt de stagnerende economie. Al sinds het begin van de jaren tachtig neemt de groei per hoofd van de bevolking in de landen van de Europese Unie gestaag af en dat is de graadmeter van de welvaart. In de Verenigde Staten was de productiviteit de afgelopen tien jaar twee maal zo hoog als in Europa. Een verbreding van de economische basis is dringend nodig wil Europa opgewassen zijn tegen de sociaal-culturele veranderingen.

Er is een compleet nieuwe architectuur van de verzorgingsstaat nodig, betoogt de Deense socioloog Gosta Esping-Andersen in Why we need a new Welfare State. Enkel bezuinigen is niet de oplossing, meent de socioloog, die in Europa geldt als dé specialist inzake de verzorgingsstaat. Hij signaleert revolutionaire veranderingen in de gezinsverhoudingen, die om dito oplossingen vragen: meer bejaarden, minder kinderen, meer werkende vrouwen, meer eenoudergezinnen. Dat brengt stijgende uitgaven voor pensioenen, gezondheidszorg en kinderopvang met zich mee. Nu al gaan de twee belangrijkste economieën op het continent, Duitsland en Frankrijk, gebukt onder hevige tekorten in de zorg.

Europa heeft een `dynamische welvaartsstaat' nodig, meent Esping-Andersen. Samen met collega's uit Nederland (Anton Hemerijck), Canada (John Myles) en het Verenigd Koninkrijk (Duncan Gallie) werkt hij uit hoe productiviteit en participatie op de arbeidsmarkt met elkaar verbonden kunnen worden. Alleen een samenleving waarin zoveel mogelijk groepen aan het werk zijn is volgens de Deense socioloog in staat de problemen het hoofd te bieden. De grote groep inactieven is een van de oorzaken van het achterblijven van de groei in Europa. Zo werkt in Nederland nog maar 16 procent van de 60- tot 64-jarigen. In Duitsland is dat 19 procent. En hoewel het aantal werkende vrouwen in de Europese Unie stijgt, is het met 50 procent nog altijd veel minder dan het gemiddelde.

Esping-Andersen onderscheidt verschillende type welvaartsstaten: de liberale variant met de minst royale collectieve voorzieningen (Verenigd Koninkrijk en Ierland), de sociaal-democratische, die meer is gericht op het verkleinen van inkomensverschillen (Scandinavië) en de corporatistische verzorgingsstaten van het zogenaamde Rijnlandse model (Nederland, Frankrijk, België en Duitsland) dat wordt gekenmerkt door sociale zekerheid en consensus.

Afslanken

Nu staat die `zekerheid' van het Rijnlandse model al geruime tijd onder druk. In Nederland zet het kabinet-Balkenende de afslanking van de verzorgingsstaat door waarmee Lubbers twintig jaar geleden een begin maakte. Maar voorzichtig sleutelen aan het sociale stelsel gaat Esping-Andersen niet ver genoeg. De transformatie naar een kennisintensieve dienstensamenleving vergt volgens hem een nieuw `sociaal contract' tussen overheid, bedrijven en werknemers. Het probleem van schoolverlaters moet harder worden aangepakt, bedrijven en overheid moeten bovendien veel meer investeren in opleidingen voor laaggeschoolden. Tegelijkertijd moeten programma's worden ontwikkeld voor life long learning, om het niveau van de Europese kennissamenleving te verhogen.

In de bundel Verzorgingsstaat vaar wel signaleren ook Nederlandse sociologen zoals Wil Arts, Han Entzinger, Godfried Engbersen en Ruud Muffels, dat de verzorgingsstaat zich op een keerpunt bevindt. Maar de wind van versobering die door West-Europa waait, betekent volgens hen geenszins het vaarwel van de welvaartsstaat. De onderzoekers signaleren wel een verschuiving naar een meer ondernemende samenleving die in het ene land sneller gaat dan in het andere. Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkten aan de Universiteit van Tilburg, stelt vast dat het Denemarken lukt dankzij een actief arbeidsmarktbeleid flexibiliteit te combineren met een behoorlijke sociale zekerheid. Een bescherming tegen ontslag kennen de Denen nauwelijks, er is geen verplichting tot collectief onderhandelen. Sociale uitsluiting (werkenden versus werklozen) is minimaal. Op de arbeidsmarkt zijn inactieven of werklozen een jaar later zelden nog in dezelfde positie, anders dan in België of Duitsland.

Geen wonder dat in Duitsland in toenemende mate het Deense model wordt bestudeerd. Dat Duitsland economische hekkensluiter is in de EU, baart de buurlanden grote zorgen, stelt de topeconoom Hans-Werner Sinn vast. Ist Deutschland noch zu retten?, luidt de titel van zijn nieuwste boek en het antwoord luidt: ja, mits. Bismarcks succesmodel van de Sozialstaat is in de ziekenboeg beland. De fundamenten van de welvaartsstaat (werkloosheids-, pensioen- en ziekteverzekering) zijn niet meer te betalen. In dit verband is het boeiend er Gabriele Metzler op na te slaan, die de opmars beschrijft van het Duitse sociale stelsel waarvoor Bismarck in 1880 de basis legde om de socialisten de wind uit de zeilen te nemen (Der deutsche Sozialstaat - Vom bismarckschen Erfolgsmodell zum Pflegefall).

De hoge loonkosten hollen de concurrentiekracht van Duitsland steeds verder uit. Het aantal werklozen, vooral lager opgeleiden, neemt met ruim vijf miljoen volgens Sinn beangstigende vormen aan. Op de goedkope concurrentie met Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije is het land al helemaal niet voorbereid. Duitsland heeft volgens Sinn een radicale culturele revolutie nodig zoals het Verenigd Koninkrijk die onder Margaret Thatcher beleefde. Niet dat Sinn een pleitbezorger is van het Angelsaksische sociale minimummodel. `Maar de Duitsers zullen radicaal moeten umdenken om uit de malaise te komen', schrijft hij. Ze moeten afscheid nemen van de sociale romantiek en zich eindelijk met de markteconomie verzoenen.

Sinns maatregelen om een `rationele verzorgingsstaat' te creëren zijn hard en onaangenaam. Langer werken voor hetzelfde salaris (minstens 42 uur), doorbreking van het CAO-kartel, verlenging van de pensioengerechtigde leeftijd tot 67 jaar, `activerende' bijstand om het zwartwerken terug te dringen. Van het kinderrijke Frankrijk kan Duitsland leren hoe scholen en belastingpolitiek kindvriendelijk kunnen worden gestimuleerd. In de `vertraagde integratie' van migranten in het sociale stelsel ziet hij een middel om de druk van de ketel halen.

Breekijzer

Iets dergelijks wordt ook voorgesteld door Han Entzinger, hoogleraar migratiestudies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, en publicist Jelle van der Meer in hun boek Grenzenloze Solidariteit. Maar verder dan een zwakke poging om het migranten – tijdelijk – moeilijker te maken om een beroep te doen op bestaande sociale voorzieningen komen zij niet. Aan hervorming van de welvaartsstaat gaat hun boek voorbij.

Dat nieuwe immigranten blijven komen, is volgens Hans-Werner Sinn zonneklaar. Duitsland kan proberen de Oost-Europese migranten enkele jaren buiten de deur te houden, maar veel langer zal dat niet lukken. Hij heeft zelfs berekend dat als de grenzen eenmaal opengaan mogelijk tweederde van alle Oost-Europeanen (2,5 miljoen in 15 jaar) zich in Duitsland zal willen vestigen. De voordelen van vrij verkeer van werknemers in Europa zijn voor de Duitse econoom duidelijk. Op grond van migratie zullen de lonen veranderen en zijn grotere verschillen in salaris onontkoombaar. In die zin beschouwt Sinn immigratie als een dankbaar breekijzer om het rigide Duitse loongebouw open te wrikken en de arbeidsmarkt te openen voor werklozen.

De verzorgingsstaat heeft toekomst, luidt de boodschap van de boeken van Sinne en Esping-Andersen, maar alleen onder de strikte voorwaarden van een ambitieuze herziening. Willen de Europese politieke leiders hun doelstelling halen om in 2010 de `meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld' te worden, dan kan met uitvoering van zo'n nieuw sociaal contract niet snel genoeg begonnen worden.

Gosta Esping-Andersen: Why we need a new welfare state. Oxford University Press, 244 blz. €32,–

Wil Arts, Han Entzinger en Ruud Muffels: Verzorgingsstaat vaar wel. Van Gorcum, 233 blz. €27,50

Hans-Werner Sinn: Ist Deutschland noch zu retten? Econ, 499 blz. €25,–

Gabriele Metzler: Der deutsche Sozialstaat. Vom bismarcksen Erfolgsmodell zum Pflegefall. DVA 268 blz. €22,90