Brandend rubber op oudejaarsavond

Kort na de eerste vrije verkiezingen in Zuid-Afrika in 1994 zitten twee zwarte bedelaars op de grond met een kartonnen bord voor zich waarop staat: `Please Help'. Elke blanke voorbijganger vragen ze om wat kleingeld, maar steevast is het antwoord: `Don't ask me... ask Mandela'. De mannen kunnen maar één conclusie trekken: de zaken liepen vóór de verkiezingen een stuk gesmeerder, aldus een strip uit een van de onvolprezen Madam & Eve-albums.

Grappen maken over sociale ellende in Zuid-Afrika is niet alleen weggelegd voor striptekenaars, maar ook voor romanschrijvers. Je moet flink generaliseren om iets te kunnen zeggen over tien jaar literatuur zonder apartheid. Maar om een tendens te noemen: in recente romans uit Zuid-Afrika lijken zelfspot en generalisatie de boventoon te voeren. De rassenkwestie is niet meer het enige ijkpunt voor goed en slecht en ze wordt betrekkelijk gemaakt. Zo wordt in romans als die van K. Sello Duiker of Ivan Vladislavic de spot gedreven met de misverstanden die ontstaan als gevolg van alle ijverige pogingen elkaar beter te begrijpen.

Duiker doet dat in The Quiet Violence of Dreams bijvoorbeeld met de verzuchting dat blanken zoveel domme vragen stellen over dreadlocks: `Is het waar dat Bob Marley tweeënveertig soorten luizen in zijn haar had toen hij stierf? Hou je dat met koeienmest bij elkaar?' Vladislavic laat zijn conservatieve held in The Restless Supermarket zwarten en kleurlingen liever omschrijven als `new customers'. De ballast van het recente verleden is in hun romans nog aanwezig, maar wordt niet meer in de eerste plaats ingezet als middel tot bewustwording.

In werken waarin het uitsluitend om het verleden draait, zoals het onlangs in Nederlandse vertaling uitgekomen Stemmen over zee van Dan Sleigh, is de boodschap eveneens niet langer de dragende factor. Hoewel hij zijn manuscript al twintig jaar in de kast had liggen, zoals Sleigh in een interview met deze krant (CS, 2.4.04) vertelde, is de tijd er nu pas rijp voor om van de helden van weleer en van de schurken van vandaag – de kolonisten – fictie te maken. Historische feiten worden materiaal voor kunst, in plaats van een bron voor herinterpretatie van de geschiedenis. Het zal nog lang duren voordat het verleden daadwerkelijk is verwerkt – als dat al mogelijk is. Maar Sleighs boek toont aan dat er ineens meer ruimte is voor de historische roman als literair genre, dat geschiedenis niet meer vooral door een politieke bril wordt gezien.

Het is een tendens die ook opduikt in het volgende week te verschijnen nummer van Armada, tijdschrift voor wereldliteratuur, dat in het teken staat van de Zuid-Afrikaanse letterkunde. Met instemming citeert inleidster Ena Jansen een uitspraak van André Brink waarin hij zegt dat de Zuid-Afrikaanse literatuur een bloeitijd beleeft: `een soort innerlijke bevrijding heeft plaatsgevonden in Afrikaanse en Engelse schrijvers – alles mag worden onderzocht'. Nu apartheid niet meer hét onderwerp van de Zuid-Afrikaanse schrijvers is, bevindt de literatuur zich in een overgangsperiode.

Bevrijding

Dat is ook het beeld dat Niq Mhlongo oproept in zijn debuut Dog Eat Dog. Zijn vertelling over de jonge student Dingamanzi speelt zich af in 1994, vlak na de verkiezingen. In een vlotte stijl behandelt hij de problemen waarmee jongeren geconfronteerd worden: zij willen de sloppenwijken ontvluchten; er is gebrek aan woonruimte; geweld, corruptie en aids zijn aan de orde van de dag. Om zijn hoofd boven water te houden moet hij trucs uithalen om een beurs te krijgen, alsook dispensatie voor gemiste examens. Het argument waar hij steeds op terugvalt, is het racisme van blanke decanen en studiebegeleiders. Hij hoeft maar de vraag te stellen: `is het omdat ik zwart ben?' en de blanke in kwestie deinst verschrikt terug en belooft de zaak nog eens goed te bekijken. Dat levert hilarische scènes op, die afgewisseld worden met felle en soms moedeloze discussies met zijn vrienden. Zo komt op een avond aids ter sprake, een ziekte die door een vriend wordt afgedaan als een uitvinding van de Amerikanen bedoeld om arme zwarten van seks af te houden opdat vooral de blanken zich voortplanten. Een ander reageert op de opmerking `Aids kills' met het volgende: `Don't you know that circumcised straight men never catch the gay plague?' Mhlongo vertelt op een relativerende toon en heeft veel te vertellen over jongeren die bang zijn voor de toekomst.

Zakes Mda's Rouwer van beroep speelt zich eveneens af in de tijd vlak na de omwenteling. De hoofdpersoon Toloki is oerlelijk. Hij verdient zijn geld door luid te klagen en te rouwen bij begrafenissen van vermoorde townshipbewoners. Tijdens een van die begrafenissen ontmoet hij zijn oude dorpsgenoot Noria, een meisje dat mensen weet te inspireren met haar onbegrijpelijke gezang. Ze is bovendien onbevlekt ontvangen. Deze `ontvangenis' – de reïncarnatie van haar eerste zoon – wordt op achtjarige leeftijd om het leven gebracht door de vigilantes van de townships. Hij krijgt een `halsketting' om: een typisch Zuid-Afrikaans gebruik waarbij het slachtoffer een in benzine gedrenkte autoband om de nek krijgt die vervolgens in brand wordt gestoken.

Ondanks alle geweld en ellende sluit Mda zijn roman verrassend positief af: de twee dorpelingen vinden elkaar in de platonische liefde, Toloki maakt prachtige kunst zolang Noria blijft zingen, en autobanden worden op elke hoek van de straat in de fik gestoken om het gelukkige nieuwjaar in te luiden: `De indringende geur van brandend rubber vult de lucht. Maar dit keer is hij niet vermengd met de ziekmakende stank van geroosterd mensenvlees. Alleen maar met de geur van puur, heilzaam rubber.' En dat laatste wordt zonder ironie neergepend.

Mda's maatschappijschets is genadeloos en hij schuwt een kritische blik niet. Anderzijds wordt zijn verhaal helaas voortdurend onderbroken door een alwetende verteller en door rarigheden als reïncarnaties en onbevlekte ontvangenissen.

Eveneens in het teken van de omwentelingen na 1994 staat een beeldende vertelling van de schrijfster Zoë Wicomb in het eerder genoemde Armada, zij het hier geschreven vanuit het blanke perspectief (Wicomb komt overigens zelf uit de kleurlingengemeenschap). Zij beschrijft een grootmoeder die geen zin meer heeft om te leven wanneer de `rotverkiezingen' eraan komen. Armada staat vooral in het teken van beschouwingen. Opvallend is dat hierin een belangrijke rol is weggelegd voor de `vrouwelijke stem'. Het is een tendens die gepaard gaat met autobiografieën en levensverhalen waarin de zoektocht naar identiteit centraal staat, aldus Annemarié van Niekerk. Zwarte en gekleurde vrouwen hebben geruime tijd geen stem gehad, stelt ze vast, terwijl ze zo'n belangrijke rol hebben gespeeld in de strijd tegen rassendiscriminatie.

Apart uitgelicht wordt de geschiedenis van Saartje Baartman. In een bijdrage van Diana Ferrus over deze negentiende-eeuwse tentoongestelde bosjesvrouw (de Hottentot Venus) wordt uit de doeken gedaan hoe het Franse parlement ertoe kwam haar overblijfselen naar huis te sturen. Ingrid Winterbach sluit haar essay af met de woorden: `Saartje is intussen thuisgekomen en ligt begraven in de Gamtoosvallei. Haar verhaal moet uitgediept worden, het leent zich voor grilligheid en verzinsel.'

Isolement

En dat is tenslotte precies wat Dan Sleigh doet in Stemmen over zee. Een roman over de vroege geschiedenis van kolonisten aan de Kaap, beginnende met Chief Herrie – de eerste politieke gevangene die naar Robbeneiland werd verbannen. Herrie's nichtje Krotoa (Eva voor de christenen) wordt als tolk ondergebracht bij Van Riebeeck. Verweesd en gekerstend trouwt deze Eva later met een Deense chirurgijn in dienst van de VOC. Wat volgt is een ongelukkig huwelijk waaruit drie kinderen worden geboren. Opgetekend door een klerk, komen zeven mannen aan het woord die op een bepaalde manier te maken hebben gehad met Krotoa of haar dochter Pieternella. In hun verhaal over het bestaan in de Kaapse kolonie schetsen ze een levendig beeld van het isolement, verderf en het gevecht tegen de natuur.

Sleigh weet op basis van veel archiefwerk uiteenlopende levens neer te zetten die samen een prachtige historie opleveren. Op een Rosenboomachtige manier geeft hij zijn verhaal veel vaart mee en heeft hij oog voor tot de verbeelding sprekende, onsmakelijke details. Soms wordt de geschiedenis zelfs gecorrigeerd, wanneer de klerk bijvoorbeeld over een vergissing in de Kaapse boeken begint: `in werkelijkheid staan ze vol fouten. Hieruit blijkt de armzalige kwaliteit van de raadssecretarissen en – laat het hiermee aan de kaak gesteld worden – van commandeurs en gouverneurs uit die tijd'. Andere momenten wordt de geschiedenis op een hoger plan getild waar het de visie op en behandeling van `die Afrikaanse inlander, genaamd Hottentotte' betreft. Of wanneer de `vanzelfsprekendheid' van de Nederlandse aanwezigheid aan de orde komt: `Jullie Hollanders hebben de grond gepakt waarop onze mensen jaren en jaren hebben gewoond. Zouden wij hetzelfde mogen doen als wij in Holland kwamen? En jullie blijven niet in de buurt van het Fort, jullie trekken het land in en pakken het beste zonder te vragen of ons dat uitkomt.'

Of het nu gaat om herschrijven van de geschiedenis of om een beeld van de maatschappelijke actualiteit: zoals mag blijken uit de boeken van Mhlongo en Sleigh lijkt er in de Zuid-Afrikaanse literatuur meer ruimte voor verbeelding te komen.

Armada. Tijdschrift voor wereldliteratuur. Jaargang 10 (2004) Nr. 34, €11,–

Zakes Mda: Rouwer van beroep. Vertaald uit het Engels door Robert Dorsman. De Geus, 221 blz. €18,90

Niq Mhlongo: Dog eat Dog. Kwela Books, 224 blz., €15,60. Het boek verschijnt eind april.

Dan Sleigh: Stemmen over zee. Vertaald uit het Afrikaans door Riet de Jong-Goossens. Querido, 672 blz. €24,95

Gerectificeerd

Bij het artikel `Brandend rubber op oudejaarsavond' (Boeken, 16.04.04) zijn de onderschriften bij de portretten van de Zuid-Afrikaase schrijvers Dan Sleigh (Foto Picture Net) en Zakes Mda (Foto De Geus) verwisseld.