Blaffend ten strijde tegen de inhoud

In hun boek Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen signaleren Thomas Vaessens en Jos Joosten een nieuwe avant-garde in de poëzie. Deze avant-garde komt uit de hoge hoed van de auteurs, die zeven dichters bij elkaar zetten vanwege de postmoderne eigenschappen van hun werk. Die eigenschappen zijn zelf weer zo heterogeen dat de avant-garde bestaat uit een gezelschap van onvergelijkbare dichters – al zijn ze elk `moeilijk' op hun eigen manier. Tonnus Oosterhoff staat naast Dirk van Bastelaere, Arjen Duinker naast Erik Spinoy, Peter Verhelst naast Robert Anker en Peter Holvoet-Hanssen. Vaessens en Joosten noemen hun magnificent seven `tot op zekere hoogte willekeurig,' want hun zelf gefabriceerde avant-garde bestaat uit een groter en groeiend gezelschap (onder wie Astrid Lampe, Paul Bogaerts, K. Michel, Jan Lauwereyns).

In hun poëzie ondermijnen de nieuwe dichters de conventies van het modernisme. Wat die conventies zijn beschrijven Vaessens en Joosten niet als gebruikelijk door middel van analyse van oudere literatuur of na bestudering van kritieken, maar door te kijken naar het onderwijs. Schoolboeken die het lezen van poëzie behandelen blijken al sinds de Tweede Wereldoorlog opmerkelijk eensgezind over wat `goede poëzie' is. De drie belangrijkste kenmerken hebben zich vastgezet in de lezersverwachting van de geschoolde lezer, aldus de auteurs. Een goed gedicht is `een organische eenheid en geldt als een bijzondere vorm van kennis', er klinkt een `authentieke stem' en het gedicht vertoont `op enig niveau coherentie'.

In het gedicht `Indringend lezen volgens dr. Drop' neemt K. Michel die opvattingen genadeloos op de hak. Van Drop, de man die met zijn boek Indringend lezen scholieren in de jaren zeventig opvoedde, citeert Michel simpelweg enkele zinnen – een ready made, een methode van de oude garde. `Na een keertje/ doorlezen zullen we/ het allemaal wel/ een moeilijk gedicht/ vinden, dit hand o.a./ Toch kunnen we met/ geduldig lezen een/ eind komen. Wel/ moeten we bij voorbaat/ aanvaarden, dat je in/ dit soort gedichten vaak met/ een paar `blinde vlekken'/ blijft zitten./ Dat zijn de plaatsen waar de associaties/ van de dichter kennelijk/ zo persoonlijk zijn geweest/ dat het min of meer toeval is/ of je ze kunt navoelen.'

In de nieuwe poëzie worden de conventies dus geparodieerd. En `onttakeld, ondergraven, geperverteerd of gedeconstrueerd, maar zelden eenvoudigweg voor hun tegendeel ingeruild.' Dat is de taal van het postmodernisme, in de aanval op het modernisme. Vaessens en Joosten plooien voor hun doel dat rare, rekbare en besmette begrip `postmodernisme' naar eigen inzicht. Het gaat hun bij postmodernisme om de subversieve mentaliteit, en het verzet tegen gestolde tradities. Niet om de theorieën van de Franse vlaggendragers, al komen die voldoende aan bod: Jean-François Lyotard, die de ideologieën dood verklaarde (`het Einde van de Grote Verhalen'), Roland Barthes (`de dood van de auteur') en Jacques Derrida (`il n'y a pas de hors-texte').

Ondermijning

Die afstand tot de Franse voorbeelden behouden Vaessens en Joosten gelukkig ook in hun stijl. Ze koppelen hun academische aanpak (ze zijn verbonden aan respectievelijk de Universiteit van Amsterdam en Utrecht) aan een ontspannen toon, waaruit blijkt dat ze vaker voor niet-vakgenoten schrijven (ze zijn ook poëzierecensent, bij Het Financieel Dagblad en de Standaard). De redeneringen gaan stap voor stap, met een aangename aandacht voor mogelijke tegenwerpingen.

De auteurs signaleren zeven `problemen'. Steeds illustreert een bundel van een van de magnificent seven op welk wijze onze leesverwachtingen zijn te ondermijnen. De poëzie van Peter Holvoet-Hanssen oogt bijvoorbeeld weinig samenhangend: hij verzet zich tegen de conventie van coherentie. Dat doen alle besproken dichters overigens, zonder door te slaan naar incoherentie. `Incoherente poëzie bestaat niet,' schrijven Vaessens en Joosten voor alle duidelijkheid. Tonnus Oosterhoff publiceerde bij zijn laatste bundel een cd met bewegende gedichten. Regels duikelen over het scherm, de gedichten krijgen nooit een definitieve vorm. Dat druist in tegen het conventionele idee dat een dichter het niet op een andere manier had kunnen zeggen. Zo tackelt Oosterhoff de `geschoolde' eis van volmaaktheid.

Hij verzet zich lichtvoetig tegen fixatie, een proces dat we kunnen volgen in het geestige gedicht Kritiek. Het begint met een gedichtje van vijf regels, en gaat als volgt verder: `Toen Wally dit las zei ze:/ `Wel goed, wel ontroerend,/ maar tijdgebonden en te persoonlijk.'/ `O. Nou, ik kan er wel ``jaren'' van maken./ En ``Geldersekade''. En ``Piet Meeuse''.'/ `Is die dan dood? `Nee, daarom juist,/ dat maakt het algemener.'

Maar `het is de aanpak' zegt ze, en de dichter `voelde dat ze gelijk had'. De volgende strofe brengt de oplossing: `Later bedacht ik: `Als wat ik wat jij zegt erbij zet...'/ `Ja,' vond ze, `daarvan wordt het anders'.

De analyses van Holvoet-Hanssen en Oosterhoff zijn niet vrij van een zekere cirkelredenering: het gebrek aan samenhang is er vanwege het verzet tegen samenhang. Vraag en antwoord vallen samen. Wat een dergelijke houding verder doet met de lezer, wat het voor de poëzie in welke zin dan ook `oplevert', blijft buiten beschouwing.

Gelukkig werpt de aanpak van Vaessens en Joosten in andere gevallen meer vruchten af. Zoals bij Arjen Duinker. In de opsommingen in zijn poëzie lijkt de chaos en het toeval te regeren. `Nergens in Duinkers snel groeiende oeuvre staat een gedicht dat namens een herkenbaar ik een orde oplegt aan de dingen', schrijven Vaessens en Joosten. Ze citeren het titelgedicht uit Rode Oever (1988), zestien regels die beginnen met `die':

die boom met de zilverachtige blaadjes

die cirkels van de elk ogenblik

die binnenplaats

die pauw die zijn staart spreidt

die wankele tafel met een glas

die klimop tegen de schuur

Zij zien in de reeksen en verzamelingen `Duinkers alternatief voor de Grote Verhalen; kleine verhalen zijn het, die een ándere geschiedenis vormgeven en ándere vormen van identificatie mogelijk maken. Identificatie die niet berust op parafraseerbare inhoud, expliciteerbare opvattingen of rationaliteit. Duinker weigert de elementen van het gedicht te presenteren als onderdelen van een gedachteconstructie van de ik.'

Rifbouw

Weigerachtig is de nieuwe poëzie bij uitstek in dit boek. Ze blinkt vooral uit in wat ze niet wil. Duinker zegt het onomwonden in een poëticaal gedicht uit genoemde bundel: `Op een zeer absolute dag,/ (...)/ zal ik, blaffend, zeker ten strijde trekken.// Tegen de Inhoud./ Tegen de Persoonlijkheid./ Tegen de Essentie.' Wat wil Duinker wél? Vaessens en Joosten zoeken ernaar en lezen dingen als `omhelzen', `de wereld omkeren en uitschudden' en `oooooh' roepen. Tegenover dergelijke naïeve verlangens staan weer sceptische regels: `het zichtbare blijft duister,/ voor welke naam dan ook'.

De meeste ruimte eist de filosofie op in het hoofdstuk over Dirk van Bastelaere. Van Basteleare staat in Vlaanderen bekend als hardcore colporteur van het postmoderne gedachtegoed, een opruiende voorvechter die graag zijn messen slijpt om tegenstanders te vermorzelen. In Nederland worden zijn poëzie en polemisch werk helaas goeddeels genegeerd. Zijn bundel Pornschlegel en andere gedichten uit 1988 benutten Vaessens en Joosten voor een demonstratie van de postmoderne worsteling met `oorspronkelijkheid'. In de postmoderne optiek is de dichter geen oorspronkelijk individu, maar een vat vol teksten van allerlei aard. In die gedachtegang is elk nieuwe tekst een mozaïek van andere teksten en de dichter niet meer de God-Auteur. In de poëzie van Van Bastelaere leidt dat tot `het thematiseren van de decentrale positie van de auteur en het veelvuldig voorkomen van intertekstualiteit.'

In zijn bundel gebruikt Van Bastelaere de metafoor van rifbouw voor het schrijven en lezen van gedichten. Een `traag, organisch bijna, anoniem proces', noemt hij het zelf, waarbij het gedicht zich vastzet aan het uitdijend bestand aan poëzie. De `decentrale' positie van de maker legt Van Bastelaere vast in dichtregels als: `Geen mens die deel aan het rif heeft'.

Van Bastelaere verzet zich ook tegen de reflex om in de gedichten op zoek te gaan naar het leven en de persoonlijkheid van de dichter. De talrijke verwijzingen in Pornschlegel naar spiegels en naar andere teksten, schrijvers en kunstenaars moeten identificatie voorkomen. Meer uitzoekwerk voor de lezer vergt de constatering dat de dichter alleen verwijst naar kunstwerken met `op een of andere manier een zelfportret van de maker'. Alles om het idee te verstoren dat de tekst een representatie is van de `echte' Van Bastelaere.

Vaessens en Joosten wagen zich niet aan de vraag naar de houdbaarheid van de postmoderne theorieën: of bijvoorbeeld de dichter inderdaad `niet meer de centrale ordende instantie' is, `maar onderdeel van het onderlinge spel van teksten en contexten.' En zeker niet aan de vraag wat de kwaliteit is van poëzie die in wezen een filosofisch concept belichaamt. Maar hun analyses laten zien dat de postmoderne optiek volop ingangen biedt voor veel hedendaagse poëzie die zo ondoordringbaar oogt. Het maakt Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen een boek om te omarmen.

Joost Zwagerman stelde onlangs vast dat het postmodernisme in het Nederlandse proza van `jonge' auteurs geen issue meer is. Dat zegt vooral iets over de behoudzucht en bloedarmoede in die discipline. In de poëzie is de experimenteerdrift nog springlevend. In het theoriearme en vaak theorievijandige Nederland mag het dan ook een verademing heten dat er nu een goed geschreven en doorwrochte bijdrage aan het debat over de nieuwste poëzie is.

Thomas Vaessens en Jos Joosten: Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen. Uitgevrij Vantilt, 2003. 271 blz. €22,50