Turkije moet schuld Armeense genocide erkennen

Zolang Turkije de Armeense genocide niet erkent, behoort het niet tot `Europa', vindt Peter van Ham.

Het is wonderlijk hoe selectief ons historisch besef is. Terwijl de jodenvervolging een prominente plaats in de westerse geschiedenisboeken inneemt, zijn andere massamoorden gladweg vergeten. En hoe langer geleden en verder weg de genocide werd gepleegd, hoe zwakker de emotionele echo wordt. Dit geldt ook voor de Turkse genocide op de Armeense bevolking die in 1915 ruim één miljoen burgers het leven heeft gekost en die volgende week overal ter wereld wordt herdacht.

Opeenvolgende Turkse regeringen hebben geweigerd deze zwarte bladzijde in haar geschiedenis onder ogen te zien. Maar nu Turkije waarschijnlijk volgend jaar begint met toetredingsonderhandelingen met de Europese Unie, wordt het de hoogste tijd dat Ankara de moedwillige en systematische uitroeiing van de Armeense bevolking door het Turkse leger erkent. Wie lid wil worden van de EU moet – analoog aan het Duitse mea maxima culpa na de Tweede Wereldoorlog – eerlijk met het eigen verleden omgaan. De EU is immers ook een waardengemeenschap, en daar horen landen die een genocide verloochenen niet bij.

Gedurende de periode 1915-1918 heeft het Turkse leger bijna alle Armeense dorpen binnen het Ottomaanse Rijk geëvacueerd en honderdduizenden burgers vermoord of via barbaarse hongermarsen van West-Turkije naar Syrië gedeporteerd. Deze gebeurtenissen zijn zeer goed gedocumenteerd en hoewel enige onenigheid bestaat over het exacte aantal slachtoffers, staat één ding vast: dit was de eerste genocide van de 20ste eeuw die bovendien tot voorbeeld heeft gediend voor Hitlers holocaust. De nazi's konden immers uit de lauwe reactie van het Westen op de Armeense genocide opmaken dat ook zij met de vernietiging van de joden konden wegkomen, als dat maar zorgvuldig buiten de aandacht van de internationale media kon worden gehouden.

Het gaat er hier niet om oude koeien uit de sloot te halen. Maar wanneer Turkije over een aantal jaren volwaardig lid wordt van de EU, wordt Armenië ons directe buurland. De Armeens-Turkse betrekkingen zijn echter nog steeds zeer slecht, met name omdat deze historische angel er nog nooit is uitgehaald. De regering in Jerevan eist dat Turkije de genocide als historisch feit erkent. Zij wordt daarin gesteund door verschillende Europese parlementen.

Zo hebben onder meer de Franse, Belgische, Griekse en Zwitserse parlementen geëist dat Ankara de volkerenmoord moet toegeven; ook het Europees Parlement heeft al in 1987 verklaard dat Ankara's weigering de historische gebeurtenissen te erkennen, een belemmering vormt voor het Turkse EU-lidmaatschap. Ook Paus Johannes Paulus II heeft Turkije tot deze stap opgeroepen. Het Amerikaanse Congres besloot in 2000, na een heftig debat, uiteindelijk de Armeense genocide niet tot een belangrijk discussiepunt met Ankara te verheffen, met name omdat Turkije dreigde met sluiting van de Amerikaanse militaire bases op haar grondgebied.

Nederland kent een zeer kleine Armeense gemeenschap waardoor het vraagstuk vooralsnog niet op de politieke agenda is beland. Minister van Buitenlandse Zaken Bot weigerde in een Kamerdebat van afgelopen december de kwestie van de Armeense genocide als een politiek relevant feit te erkennen. Dit is niet alleen verwonderlijk, maar tevens onverstandig. Hoe zouden wij het vinden wanneer het hedendaagse Duitsland de holocaust zou afdoen als historisch onjuist en irrelevant?

Er zijn voorbeelden waaruit blijkt dat alleen het erkennen van de historische waarheid kan leiden tot politieke toenadering en zelfs hernieuwd vertrouwen tussen landen. Te denken valt een het conflict over de massamoorden in Katyn. Pas in 1990 heeft de Russische regering erkend dat het sovjetleger de 4.400 Poolse officieren heeft vermoord, en niet – zoals lang door Moskou werd beweerd – dat de nazi's dat hebben gedaan. Ook de Kroatische regering heeft vorige maand een begin gemaakt om de eigen geschiedenis in alle eerlijkheid te beoordelen. Het initiatief van premier Ivo Sanader om de misdaden van de Kroatische Ustaša tijdens de Tweede Wereldoorlog te onderzoeken en te erkennen, passen in zijn streven om binnen afzienbare tijd tot de EU toe te treden. Dit voorbeeld zou door Turkije moeten worden gevolgd.

Het heikele punt is immers dat het proces van Europese eenwording staat of valt met wederzijds politiek vertrouwen en solidariteit. De EU is niet een tijdelijk samenwerkingsverband, maar een opzet voor een nieuwe politieke entiteit. Zonder saamhorigheidsgevoel en oprechtheid heeft de EU geen toekomst. Dit is het grote verschil tussen Europa en andere continenten. Aangezien Japan nooit heeft erkend dat het in Korea en China tijdens WO II de grootste gruweldaden heeft begaan, blijft elke vorm van samenwerking oppervlakkig. Wanneer Turkije deel wil uitmaken van Europa zal het lering moeten trekken uit de voorbeelden van Duitsland en Japan. Alleen wanneer Ankara ondubbelzinnig de historische feiten onder ogen ziet kan sprake zijn van werkelijke `Europeanisering'. Dit betekent dat de Armeense genocide in de Turkse geschiedenisboekjes moet komen, waardoor er eindelijk een einde komt aan het Ottomaanse denkbeeld dat Turkije op de een of andere manier superieur is aan de buurlanden.

Dr. P. van Ham is plaatsvervangend hoofd onderzoek van het Instituut Clingendael.