Terreurdebat

Ruim een maand na de aanslag in Madrid boog de Tweede Kamer en een groot deel van het kabinet zich gisteren over mogelijke maatregelen tegen terrorisme. Het verwijt van VVD-fractievoorzitter Van Aartsen dat het kabinet op dit onderwerp geen gevoel voor urgentie uitstraalt, had gezien de tijd die het parlement zelf heeft laten verstrijken sinds die aanslag het karakter van een boemerang. Het fractievoorzittersdebat ontwikkelde zich volgens het bekende patroon. De fractievoorzitters van CDA en PvdA, Verhagen en Bos, hielden slechtgehumeurde spiegelgevechten over wie nu het eerst moet antwoorden op wiens vraag. Het heeft er veel van weg dat beide kemphanen de mislukte coalitieonderhandelingen blijven herhalen. Ook Van Aartsen trad weer op in zijn rol als horzel in de pels van de premier. Waar hij meestal echter zijn opmerkingen sierlijk als met een floret plaatst, had zijn bijdrage nu meer het karakter van een doffe dreun: hij verweet het kabinet niet alleen `laks en naïef' te zijn bij de aanpak van terrorisme, maar beschuldigde de premier persoonlijk er ook van terreur te vergoelijken. Balkenende had eerder opmerkingen gemaakt over de ,,voedingsbodem'' voor terrorisme. Van Aartsen ging duidelijk over de schreef, en hij besefte dat ook, getuige het feit dat hij zijn karakterisering schielijk introk nadat Balkenende op zijn ponteneur was gaan staan.

Los van al deze politieke thermiek, die even een inkijkje geeft in de niet altijd even soepele verhoudingen binnen de coalitie, ging het debat over wezenlijke zaken. Waar de strijd tegen terrorisme wordt ingezet, komen al gauw de grenzen van de democratische rechtsstaat in het geding. Dit bleek bijvoorbeeld uit de woorden van Verhagen, die het kabinet ertoe opriep om te komen met speciale wetgeving ter bestrijding van terrorisme. Daarbij zou volgens hem het grondbeginsel van het strafrecht ,,van beter tien schuldigen op straat dan één onschuldige in de cel'' niet langer opgaan. Verhagen pleitte voor een premier die een `Nationale Veiligheidsraad' moet voorzitten en die ,,dwingende aanwijzingen moet kunnen geven aan andere ministers''.

Kleurrijke voorstellen met weinig realiteitswaarde. De commander-in-chief die Verhagen voor ogen staat is wezensvreemd aan de collegiale wijze waarop de Nederlandse ministerraad grondwettelijk is vormgegeven. Meer aandacht vergen de voornemens die het kabinet bekendmaakte. Zo komt minister Donner (Justitie, CDA) deze maand nog met een wetsvoorstel om informatie van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) als bewijs toe te laten in het strafproces. Deskundigen waarschuwen niet ten onrechte tegen de mogelijke negatieve consequenties daarvan: de veiligheidsdienst functioneert vooral als alarmbel voor mogelijke dreigingen. Dat moet niet worden verward met een mogelijke rol als speciaal justitieel politieorgaan. Het feit dat het kabinet met de gedachte speelt de grondslag voor verdenkingen te verbreden en het voorarrest te verlengen kan eveneens vérstrekkende gevolgen hebben. Gelukkig was het Donner zelf die opmerkte dat er grenzen zijn aan de maatregelen die de overheid kan nemen tegen terrorisme. De overheid, zo zei hij terecht, gunt het terrorisme wel erg gemakkelijk succes als zij onder druk daarvan de waarden en beginselen wegdoet waartegen de terreur zich richt.