Studeren in Europa

Het kabinet-Balkenende wil van Nederland een concurrerende kenniseconomie maken. De invoering van de bachelor-masterstructuur (BaMa) tracht aan deze ambitie gehoor te geven door de gang van studenten naar buitenlandse universiteiten te versoepelen en zo bij te dragen aan een zo goed mogelijk opgeleide beroepsbevolking. Helaas is studeren in het buitenland behalve leuk en nuttig ook duur. In het voorzien van de nodige financiële middelen hiervoor schieten de Nederlandse voorzieningen echter schrikbarend te kort. Het resultaat is dat alleen de rijken zich een master in het buitenland kunnen veroorloven: een nogal elitair Europees burgerschap.

Studenten die in het buitenland willen studeren, lopen jaarlijks naast de studiefinanciering van 2.736 euro (tot 5.556 euro voor studenten met minder draagkrachtige ouders) ook de mogelijkheid tot aanvullende lening van maximaal 9.246 euro mis. Daarnaast hebben de grote beurzenprogramma's, zoals de VSB en Talentenbeurs, dit jaar besloten dat universitaire bachelors niet in aanmerking komen voor een buitenlandsbeurs. Beide restricties passen goed in het plaatje van het BaMa-systeem in Nederland: met de mond wordt een nieuw systeem beleden, maar in de praktijk blijven oude kaders van landsgrenzen en doctoraallogica gewoon overeind.

Na het doorbreken van het selectietaboe lijkt de weg vrij voor verdere stappen naar een optimale benutting van menselijk potentieel. Buitenlandse ambities spelen daarin een essentiële rol. Maar dan moet het kabinet dit ook faciliteren. De oproep is simpel: zorg ervoor dat het recht op studiefinanciering en lening uitgebreid wordt tot de hele EU, en dat beurzenprogramma's weer toegankelijk worden voor studenten met universitaire bachelors.