Geef gewoon goed onderwijs

De discussie over problemen in het beroepsgerichte voortgezet onderwijs spitst zich toe op de vraag of het vmbo mislukt is. Die vraag is onzinnig. Niet alleen kent de Wet op het Voortgezet Onderwijs nog steeds mavo en vbo en is de vormgeving van theoretische, beroepsgerichte en gemengde leerwegen een zaak waarin de scholen veel vrijheid hebben. Ernstiger is dat gehakketak over een wetswijziging in 1998 het zicht belemmert op de langere termijn. De discussies kunnen de scholen doen vergeten hoeveel ruimte zij hebben om onderwijs op maat te realiseren.

Op één punt is het goed om te bekijken of we het in 1998 goed gedaan hebben. Om de steeds maar doorgaande groei van het speciaal onderwijs te remmen, is besloten de vo-scholen zelf (in samenwerkingsverbanden) verantwoordelijk te maken voor de opvang van leerlingen die extra zorg nodig hebben. Ze kregen daarvoor geld mee en moesten zelf bepalen hoe ze dat zouden doen. Feit is dat veel samenwerkingsverbanden voorzieningen voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden hebben opgeheven. Dat is niet verstandig, maar om dat de wetgever te verwijten, is te gemakkelijk.

Op twee andere punten zijn vragen te stellen over het hedendaagse voortgezet onderwijs. Je kunt je afvragen of voor veel leerlingen in beroepsgerichte leerwegen het onderwijs niet te algemeen en te theoretisch is. Hier stoten we op een dilemma dat aan de orde is sinds we vinden dat een stelsel met een Latijnse school, een Hogere Burgerschool en een Ambachtsschool niet meer kan. We willen keuzes voor leerlingen uitstellen, maar niet tot voorbij het moment dat een categorie gedemotiveerd afhaakt. De basisvorming leek in 1992 een mooi compromis tussen middenschool en categorale scholen, maar was geen ei van Columbus. Veel scholen hebben sindsdien gekozen voor onderwijs op maat, ook in de onderbouw. De vrijheid van de scholen is onlangs nog vergroot.

Ook kunnen vraagtekens worden gezet bij de omvang van scholen. Ze kregen in 1995 een vrij besteedbaar budget en daarmee grotere speelruimte. Maar een neveneffect was dat de scholen ook grotere risico's gingen lopen, zoals voor wachtgelders. Logisch gevolg was een fusiegolf, waarbij veel schoolbesturen in de vorming van bredere scholen ook onderwijskundige voordelen zagen, daartoe ook gestimuleerd door het ministerie.

We kunnen lang en breed palaveren over het fiasco van het vmbo. Maar scholen kunnen beter werken aan goed onderwijs. En bewindspersonen moeten voorlopig één ding doen: voldoende middelen verstrekken.

Dr. Kars Veling is voorzitter van de centrale directie van het Johan de Witt College in Den Haag.