De keuze is niet markt of overheid

De overheid moet alleen taken oppakken wanneer die niet kwalitatief beter of efficiënter door marktpartijen kunnen worden verricht, vindt Laurens Jan Brinkhorst.

Markt of overheid? Links of rechts? Een personalistisch socialisme of juist een liberalisme met een sociaal gezicht? Er wordt duchtig met etiketten en begrippen gegoocheld in de serie `voorbij links en rechts'. De meeste schrijvers lijken zich vooral bezig te houden met het vanuit de zuil van herkomst beredeneren van het eigen gelijk.

Wat geldt: eens een socialist altijd een socialist of eens een liberaal altijd een liberaal. Vanuit dat uitgangspunt worden redeneringen en constructies verzonnen om de grote lessen uit het recente verleden te laten kloppen met de dogma's uit het ideologische nest. Er lijkt weinig ruimte om nu eens zonder de ballast van het verleden te kijken naar waar we staan en welke oplossingen we in de toekomst moeten kiezen. De serie illustreert dat de traditionele politieke stromingen hun ideologisch kompas hebben verloren. Het is dan ook tijd voor een nuchtere kijk op de relatie tussen overheid, markt en politieke ideologie.

In zijn bijdrage van 27 februari bepleit Jouke de Vries dat `links' meer moet kiezen voor een sterke overheid, omdat politieke tegenstanders dat ook doen. Met die politieke tegenstanders blijkt hij onderen anderen mij te bedoelen. Hij schrijft: ,,Brinkhorst pleitte onlangs bij een debat over de energiesector voor een sterke overheid.'' Dat vraagt om een uitleg van mijn kant.

Een aantal auteurs trekt de discussie over markt versus overheid als vanzelfsprekend door in de dichotomie van politiek rechts en links en van liberalisme versus socialisme. Het denken in termen van de tegenstelling markt óf overheid is echter door de realiteit al veel decennia achterhaald. Waar het om gaat, is hoe de wisselwerking tussen markt en overheid wordt georganiseerd. En ja, waar een rol is weggelegd voor een overheid ben ik voorstander van een krachtige en hoogwaardige overheid. Maar de overheid moet alleen taken oppakken wanneer die niet kwalitatief beter of efficiënter door marktpartijen kunnen worden verricht.

Het interessante van het thema markt versus overheid is dat het weinig te maken heeft met dit zwart-wit gekleurde links-rechts debat. Als gekeken wordt naar het verleden van de ontwikkeling van het denken over markt en mededinging wordt dat duidelijk.

De ordeningswetgeving zoals de Mededingingswet en de recente energiewetgeving heeft een goed evenwicht tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en de consument/afnemer als doel. Is dat nu links of rechts? Toen in de Verenigde Staten in het begin van de vorige eeuw het antitrustbeleid opkwam om te voorkomen dat giganten als Standard Oil hun machtspositie op de Amerikaanse markt verder uitbouwden, bestond grote weerstand vanuit de conservatieve `rechtse' hoek. Immers, juist daar bevonden zich personen en belangen die juist baat hadden bij een gebrek aan echte marktwerking. In diezelfde conservatieve hoek bevinden zich ook de voorstanders van free trade en free enterprise.

Minder ver van huis is de aanscherping van het mededingingsbeleid in Nederland in de jaren '80. In die jaren was het zittende bedrijfsleven en een belangrijk deel van de `rechtse politiek' aanvankelijk tegen het bevorderen van meer marktwerking en het strenger aanpakken van kartels. Wat nu bijvoorbeeld als `bouwfraude' wordt aangeduid, werd door velen in die jaren als begrijpelijk ondernemersgedrag gedoogd.

Aan de linkerzijde van het ideologische spectrum is ook sprake van een tweedeling. In Frankrijk komt de massale weerstand tegen meer liberalisering in de energiesector vooral vanuit `linkse' hoek. De vaak nog communistisch gekleurde vakbeweging is bang dat marktwerking leidt tot efficiëntere bedrijven en daardoor tot minder banen en tot lagere salarissen. In Nederland was in de al eerder genoemde jaren '80 juist het PvdA-Kamerlid Pronk de belangrijkste steunpilaar van VVD-staatssecretaris Evenhuis bij zijn pogingen het mededingingsbeleid aan te scherpen. Daarbij stond voor Pronk een klassiek `links' uitgangspunt centraal: het versterken van de relatief zwakke positie van de consument in relatie tot het machtige, soms in kartels georganiseerde, bedrijfsleven.

Binnen `rechts' is dus een keuze aan de orde tussen gevestigde belangen en echte marktwerking en binnen `links' gaat de keuze tussen een corporatistische planeconomie-achtige staat en meer macht naar de consument. Het standpunt over marktwerking gaat dwars door de ideologische links-rechts-tegenstelling heen. Daarom is de opvatting van politieke partijen moeilijk te voorspellen als het om marktwerking gaat. Ook internationaal: Blair als voorvechter van marktwerking in Europa en in de VS, de democratische presidentskandidaat Kerry als voorstander van speciale belastingvoordelen voor bedrijven die producten binnen de VS produceren.

In deze discussie staan niet links en rechts tegenover elkaar, maar gaat het om een tegenstelling tussen gevestigde belangen en het diffuse algemeen belang van een betere marktwerking ten behoeve van de consument. De gevestigde belangen zijn concreet, mondig en goed georganiseerd. Maar al te vaak hebben ze goede ingangen bij politici die soms ook het kortetermijnbelang zwaar laten wegen. Het vraagt moed, visie en doortastendheid om in dit spanningsveld het langetermijnbelang de boventoon te laten voeren. De tegenvallende resultaten van het zogeheten Lissabonproces hebben hier alles mee te maken. Veel Europese landen richten zich nog te vaak op concrete, nationale kortetermijndoelen in plaats van op een sterk Europa in de wereld op lange termijn.

Sommige auteurs zeggen dat gekozen moet worden tussen het geloof dat de samenwerking beter georganiseerd kan worden door de economisch gestuurde markt of door de democratisch gecontroleerde overheid. Dat is een simplificatie die de hele discussie doodslaat. Er is immers geen serieuze politicus te vinden die een markt zonder overheid bepleit.

Marktwerking als ordeningsprincipe is net zo min links of rechts als de vraag of de overheid een rol moet spelen bij het ordenen van de economie.

De keuze gaat dus niet tussen markt of overheid, maar over de vraag welke belangen het zwaarst moeten wegen. Dan hebben we het over de cruciale verdelingsfunctie van de staat en moeten echte politieke keuzes worden gemaakt. Dit is het geval bij de invulling van het belastingstelsel en van de sociale zekerheid, maar ook bij de discussies over liberalisering van de energiesector, waar we middenin zitten.

Voor mij staat voorop dat het consumentenbelang het uitgangspunt dient te zijn. De belangen van bedrijven en aandeelhouders moeten daaraan ondergeschikt zijn. Dat is een politieke keuze. Bij de ordening van de energiemarkt wil ik consumenten/afnemers keuzevrijheid geven.

Als de consument ontevreden is, moet hij kunnen overstappen naar een ander bedrijf. Ik wil daarnaast zorgen voor een goed investeringsklimaat, zodat private bedrijven bereid zijn de vele investeringen te doen die de komende jaren nodig zijn om de energievoorziening op een hoog peil te houden. Tegelijkertijd moet er een krachtige overheid zijn die zorgt voor milieubelangen, voor voldoende concurrentie door mededingingstoezicht en voor een goede prijs/kwaliteitsrelatie als de consument niet kan kiezen.

Dat laatste is bij de energiemarkt het geval bij de elektriciteitskabels en gasleidingen. Dat zijn natuurlijke monopolies waarop streng prijs- en kwaliteitstoezicht nodig blijft. Deze keuzes hebben wat mij betreft niets met ideologie te maken, maar met nuchter nadenken op basis van te verwachten kosten en baten en de belangen die ik politiek centraal wil stellen. Ook de besluitvorming over wie eigenaar moet zijn van de bedrijven – de privatiseringvraag – wil ik ontdoen van het ideologische karakter.

Ook de discussie over de gezondheidszorg en het onderwijs is jaren vanuit het aanbod gevoerd in plaats vanuit de consument. Een consument die thans op de markt verzekeringen, reizen of andere diensten afneemt, wordt in Nederland serieus genomen. De klant kan kiezen voor sobere of meer luxueuze opties. Een ontevreden klant loopt weg naar een andere aanbieder. Maar als diezelfde consument opeens patiënt wordt in de gezondheidszorg, krijgt hij een schok die is te vergelijken met de tocht naar de andere kant van het IJzeren Gordijn vóór 1989. Er valt opeens weinig meer te kiezen. De medische kwaliteit is ongetwijfeld van goed niveau, maar met het centraal stellen van de consument heeft het weinig te maken.

Formeel heeft de patiënt een vrije artsen- en ziekenhuiskeuze, maar de manier waarop deze artsen en ziekenhuizen hun best doen om in te spelen op de wensen van de consument, is niet te vergelijken met een marktsector zoals de horeca of de reiswereld. De populistisch aandoende uitspraak van een collega-politicus dat in Nederland gevangenen een cel voor zichzelf hebben en patiënten in verpleegtehuizen een zaal met velen moeten delen, bevat helaas een kern van waarheid.

Het politieke debat over zaken als energie, gezondheidszorg en onderwijs moet niet gaan over markt tegenover overheid, maar over de tastbare belangen van concrete mensen. Daarbij komen scherpe keuzes aan de orde. Ook vraagstukken zoals het terugdringen van de staatsschuld en de toekomst van de verzorgingsstaat zijn in essentie meer verdelingsvragen tussen groepen of tussen heden en toekomst dan ideologische keuzes tussen markt en staat.

Laurens Jan Brinkhorst is minister van Economische Zaken.

www.nrc.nl/opinie Voorgaande afleveringen van deze serie.