Advocaat voor jaar geschorst wegens fraude

De Amsterdamse letselschadeadvocaat Gerrit E. heeft van de raad van discipline een schorsing van een jaar opgelegd gekregen, waarvan een half jaar voorwaardelijk.

De tuchtrechter verwijt hem meegewerkt te hebben aan fraude bij een faillissement. Verder heeft hij het verbod op no-cure-no-pay-afspraken ontdoken.

De deken van de Orde van Advocaten in Amsterdam had de raad van discipline om een onmiddellijke schorsing voor onbepaalde tijd gevraagd wegens zijn bijdrage aan de fraude. Maar de tuchtrechter vond dat het structurele karakter van het vergrijp ontbrak om zo'n zware straf op te leggen.

De raad van discipline vond dat E. ,,op meerdere fronten in ernstige mate'' heeft gehandeld ,,tegen hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt''. De raad rekende hem ,,zwaar'' aan dat door ,,het (laten) misbruiken van derdegeldrekeningen de bijzondere en beschermende positie van de advocaat in diskrediet wordt gebracht''.

Via die advocatenrekening werd ruim 150.000 euro onttrokken aan het persoonlijke faillissement van E.'s cliënt Albert W. die inmiddels is veroordeeld voor handel in cocaïne en xtc en daarvoor een gevangenisstraf van zeven jaar uitzit. Het geld dat via de rekening van zijn advocaat liep, gebruikte W. later weer voor de aanschaf van een huis in België. Voor zijn medewerking hieraan werd E. in september 2003 door de rechtbank van Zutphen veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Tegen die straf is hij in beroep gegaan.

Volgens E.'s advocaat P. Doedens betekent de schorsing ,,een behoorlijk zware domper'', met grote praktische gevolgen omdat het een eenmanszaak is: ,,Hij zal zijn tent een half jaar dicht moeten doen.'' Alleen daarom al acht Doedens het waarschijnlijk dat E. ook tegen deze schorsing in beroep zal gaan.

Tijdens de zitting voor de raad van discipline had E. aangevoerd dat hij niet precies wist welke gelden er via zijn rekening liepen omdat betalingen via een `office manager' liepen. De raad noemde E. echter verantwoordelijk voor hetgeen er binnen zijn kantoor gebeurt. Bovendien heeft E. volgens het vonnis ter zitting erkend dat hij gelden van zijn rekening heeft opgenomen bedoeld voor iemand die nauw aan de gefailleerde W. was gelieerd.

De raad van discipline veroordeelde E. ook voor schending van het verbod op resultaatafhankelijke beloningen voor advocaten. Daarover ligt E. al jaren in de clinch met de Orde van Advocaten. E. splitst zijn praktijk op in twee delen waarvan hij het ene wel onder het tuchtrecht laat vallen en het andere niet, een werkwijze die door de raad werd bekritiseerd. De raad rekende het E. zwaar aan dat die de deken, in die periode H. Doeleman, de uitoefening van diens taak ,,stelselmatig'' onmogelijk maakte door geen informatie te geven als daar om werd gevraagd.