Zo snel mogelijk stoppen met niet te winnen gevecht

De strijd gaat in Irak niet meer tegen terroristen, maar tegen nationalisten. Dat gevecht is niet te winnen, meent William Pfaff.

Het gold tot dusverre voor een Amerikaan als onverstandig en onvaderlandslievend om erop te wijzen dat de Verenigde Staten dringend moeten bedenken hoe zij en hun bondgenoten op een zo constructief mogelijke wijze uit Irak kunnen vertrekken. Men zal onder ogen moeten zien dat zij in Irak thans niet vechten tegen `terrorisme', maar tegen nationalisme, en dat zij die strijd ten slotte zullen verliezen.

Los van de vraag welke combinatie van religieuze en nationale hartstochten de crisis in Irak heeft veroorzaakt, en wat daarin het aandeel is van geëxalteerde jihadisten uit Afghanistan en leerling-mujahedeen uit Birmingham en de voorsteden van Parijs, het blijft in wezen een nationalistisch verschijnsel, tot dusverre beperkt in zijn uitwerking, maar met potentieel explosieve gevolgen voor de regio. De militaire acties van de afgelopen dagen kunnen het hooguit een tijdje ondergronds dwingen.

Dit soort oorlog gaat bijna onvermijdelijk gepaard met afschrikwekkend bedoelde bestraffing van burgers, verwoesting van huizen en represailles tegen familieleden van mensen die tegen de bezetters strijden. Als een en ander op ruime schaal wordt toegepast, kan het plaatselijk en tijdelijk het verzet onderdrukken, maar het werkt wrok in de hand en heeft een afstompend effect op de ingezette militairen, die letterlijk gedemoraliseerd kunnen raken wanneer zij moeten dienen in een moreel klimaat van represailles, `afrekeningen' met burgers, en de onmogelijkheid om aan vijandelijke zijde strijders en niet-strijders van elkaar te onderscheiden.

Zulke maatregelen hebben een lange, moedeloos makende geschiedenis in guerrillaoorlogen en in verzet van de bevolking tegen bezetters. Ze versterken voornamelijk de politieke aanspraken van het verzet, en brengen die van de bezetter in diskrediet.

Dit is de klassieke paradox van oorlog tegen nationalisme. Successen op de korte termijn hebben doorgaans een prijs op de lange termijn, niet alleen in het gebied waar de oorlog wordt gevoerd, maar ook thuis, doordat ze de politieke aanvaardbaarheid van het bezettingsbeleid ondermijnen.

George W. Bush noemt zich een `oorlogspresident'. De oorlog in Irak geldt als onderdeel van zijn oorlog tegen de `Terreur', essentieel voor zijn politieke identiteit. Zijn voornaamste bondgenoot, Tony Blair, weet zonder twijfel wat het Aziatische en het Arabische nationalisme het Britse wereldrijk hebben aangedaan, en met name hoe een volksopstand in Irak in de jaren 1920-1923 het Britse mandaatsbestuur heeft ontwricht. Nu lijkt hij zich te hebben wijsgemaakt dat de coalitietroepen, door Saddam Hussein ten val te brengen, met het Iraakse nationalisme hebben afgerekend.

Ook de Verenigde Staten zouden weet moeten hebben van nationalisme; zij zijn immers door hun oorlog tegen het Vietnamese nationalisme in de ergste crisis van de recente Amerikaanse geschiedenis gestort – de ergste, althans, tot aan de oorlog die nu dreigt.

De president en de premier zijn overtuigd van hun goede bedoelingen. Zij willen toch immers binnen drie maanden de `soevereiniteit' aan de Irakezen overdragen? Dat is de tweede grote illusie van de coalitiepartners. Zij zijn Irak binnengetrokken om een despoot en zijn regering ten val te brengen. Dat is ze gelukt. De meeste mensen in Irak lijken zeer dankbaar. Maar de coalitie nam niet de verantwoordelijkheid voor wat er meteen daarna gebeurde. Ondanks de belofte van stabilisatie en wederopbouw heeft zij de Iraakse samenleving overgeleverd aan chaotische plunderingen, en is het haar in het jaar na de val van Bagdad niet gelukt de orde te herstellen.

De functionarissen van de coalitie zijn nog altijd van plan om eind juni de `soevereiniteit' over te dragen aan een voorlopige Iraakse regering, hoewel dit gezien de ongeregeldheden onwaarschijnlijk lijkt. Dan zou een politiek proces moeten starten dat uiteindelijk zou leiden tot een gekozen federale regering.

Maar wat eind juni zal, of zou, worden overgedragen is geen soevereiniteit maar een beperkt gezag over de binnenlandse zaken van Irak, uit te oefenen onder supervisie van de Verenigde Staten.

De Verenigde Staten zijn niet van plan Irak te verlaten. Het plan is om van het hoofdkwartier van de coalitie een Amerikaanse ambassade met 3.000 medewerkers te maken, de grootste Amerikaanse diplomatieke vestiging ter wereld.

Washington hoopt – dat was een van de motieven achter de invasie – permanente militaire bases in het land aan te houden, met een garnizoen van wel 100.000 militairen, en toezicht te houden op Iraks voorlopige regering en de nieuw te kiezen regering. Die laatste zou een naaste bondgenoot van de Verenigde Staten moeten worden, en hun een strategische basis moeten bieden in de regio.

Een soevereine regering heeft per definitie het geweldmonopolie binnen haar grenzen, en volledige zeggenschap over haar economie, grondstoffen en buitenlandse betrekkingen. Niets van dit alles zou van toepassing zijn op de nu geplande Iraakse regering.

Dat Irak een onderhorige staat zou moeten worden, vloeit logisch voort uit het Amerikaanse buitenlandse beleid, dat sinds eind jaren '80, na de ineenstorting van Sovjet-Unie, als vanzelfsprekend heeft aangenomen dat de Verenigde Staten, als enige supermogendheid, niet alleen de gelegenheid maar ook de plicht hebben om in alle belangrijke regio's van de wereld beslissende invloed uit te oefenen en zonodig ook beslissend geweld toe te passen. Zo meent dat beleid het algemeen belang te dienen.

Deze opvatting botst met de geschiedenis en het gezond verstand. Zoals de Amerikaanse diplomaat en historicus George Kennan een paar jaar geleden schreef, is zo'n Amerikaans standpunt ,,ondoordacht, verwaand en ongewenst''.

Het is een beleid waartegen uiteindelijk iedere regering die staat voor nationale autonomie, zich zou verzetten. Het zou het internationale isolement waarin de Verenigde Staten nu al verkeren, nog versterken. Het zou de Atlantische alliantie ondermijnen en uiteindelijk slopen.

Het alternatief is, te doen wat de coalitie zich formeel verplicht heeft te doen: werkelijke soevereiniteit over te dragen aan een Iraakse regering onder internationaal toezicht. De coalitietroepen zouden met beleid zo snel mogelijk moeten worden teruggetrokken. Het belangrijkste – en het moeilijkste – in de huidige crisissituatie zou zijn de Irakezen ervan te overtuigen dat dát voortaan de intentie van de coalitie is.

De Amerikaan William R. Polk, voormalig overheidsfunctionaris en grondlegger van het Centrum voor Onderzoek van het Midden-Oosten van de Universiteit van Chicago, heeft onlangs benadrukt hoe belangrijk het is dat de Verenigde Staten duidelijk maken dat zij niet alleen Irak zullen verlaten, maar dat zij, zolang zij er nog aanwezig zijn, ,,hun bedrijven niet [...] in de Iraakse economie zullen integreren [of] Iraakse olie zullen confisqueren of privatiseren; [en dat] zij onmiddellijk hun unilaterale macht zullen afzwakken door serieuze politieke en commerciële activiteiten van andere mogendheden toe te laten, evenals politieke en veiligheidsoperaties onder auspiciën van de Verenigde Naties''.

Vraag is of het niet al te laat is, en of de Verenigde Staten wel in staat zijn tot zo'n beleidswijziging. Déze regering is dat niet. Een nieuwe regering zou misschien een andere politieke koers kunnen inslaan, maar zeker is dat niet.

Het nuttigste wat op dit moment kan worden gedaan, is dat Amerika's bondgenoten niet langer tegen Washington zeggen dat de bezetting van Irak ,,niet mag mislukken'', maar in plaats daarvan melden dat de bezetting al mislukt is. Dat slechts een ommekeer in het beleid de Verenigde Staten en hun bondgenoten kan redden van een fiasco, en Irak van verwoesting.

William Pfaff is columnist.

© TMS London