Wij hopen vooral op een veiliger leven

Op 1 mei wordt de Europese Unie uitgebreid tot 25 landen. Deel 3 van een serie familieportretten. Het verhaal van de familie Ercsei-Veres. ,,Ik hoop dat er straks geen grenzen meer zijn.''

,,Ik was zwanger van mijn eerste kind, Nóra, en ging met zwangerschapsverlof midden 1989, vlak voor de omwenteling, in een communistisch Hongarije'', vertelt Erzsébet Veres terwijl ze haar tweede kind, Bence, de fles geeft. ,,Toen ik in midden 1992 weer ging werken was het in een democratie. Ik ging terug naar hetzelfde ziekenhuis met dezelfde collega's, maar in een ander systeem: terwijl ik thuis zat was de wereld volledig veranderd.''

,,Ik leef al 89 jaar in hetzelfde dorp (Mezögyan). Iets leren was vroeger onmogelijk voor een eenvoudig wezen als ik'', vertelt overgrootmoeder Erzsébet Szábo – moeder van tien kinderen – door de telefoon. ,,Mijn jongste kind was vier maanden toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en mijn man naar het front gezonden werd. We zagen hem nooit meer terug. Ik bleef achter met drie kinderen. Er was geen financiële steun omdat hij niet tijdens het gevecht was gestorven – hij stierf aan tyfus in een trein op de Russische vlakte en raakte spoorloos. De enige hulp was dat hij in 1949 door het Rode Kruis officieel dood werd verklaard. Later ben ik hertrouwd met een weduwnaar met vier kinderen, daarna werden er nog een paar geboren.'' Ze pauzeert even. ,,Ik schaam me er voor dat er nog steeds zoveel arme mensen zijn in Hongarije en ik ben trots op de keuken.''

,,Ik ben trots op hoe mooi het land is en hoe hard er aan gewerkt wordt'', zegt de naar haar grootmoeder vernoemde Erzsébet Veres. ,,Ik schaam me voor de omstandigheden waarin de armen leven en de houding van de Hongaren ten opzichte van de zigeuners en joden.''

Erzsébet Veres en haar man László Ercsei zitten trots aan de keukentafel van hun nieuwe huis even buiten Boedapest. Het is een strak doch gezellig laagbouwhuis in een dorpsstraat. Honderd meter verderop gaat de geasfalteerde weg over in een zandpad dwars door het dorp. Het huis is onder László's leiding gebouwd en grotendeels door zijn eigen vader gemetseld. De muur van de keuken loopt opzettelijk een beetje rond. Een grote schaal zelfgebakken appelstrudel staat op tafel. Het bezoek wordt – zeer Hongaars – aangemoedigd flink door te eten.

,,Ik was eenentwintig en monteur in een handschoenenfabriek waar 5.000 man werkte, in Târgu Mures, in Transsylvanië'', vertelt László Ercsei. ,,Wij moesten de chemicaliën mengen waarmee de varkens- en schapenhuiden behandeld werden. De eerste twee uur van iedere werkdag bespraken we wat we de avond daarvoor op Radio Free Europe hadden gehoord, dan repareerden we wat, lunchten en daarna ging ik liggen slapen op mijn bureau. Toen ik december 1989 op een middag thuiskwam, hoorde ik dat Ceausescu gevlucht was. Kort daarna kon ik naar Boedapest, waar ik studeerde en ging werken. Ik sliep op de verdiepingen boven de bouw waar we bezig waren. De jaren negentig waren heel zwaar, altijd de onzekerheid: wat morgen, waar te slapen, waar geld te verdienen. Ik werkte 15 uur per dag.''

,,Ik had drie hectare land, mijn man twee. Die moesten we inleveren aan de coöperatie'', zegt oma Erzsébet Szábo, bijna negentig. ,,De jaren vijftig waren zwaar, we probeerden te overleven. Het grootste deel van de producten, vet, eieren, maïs, werd door de overheid in beslag genomen. Per gezin was één varken voor eigen gebruik toegestaan. We gingen naar het kantoor van de burgemeester en verklaarden dat we hadden besloten gescheiden te leven. Op die manier konden we twee varkens houden. Kort na de slacht werd ons huwelijk `gered' en gingen we weer samenleven.''

,,Op een goed moment woonden we hier in de straat met dertien familieleden'', zegt Erzsébet Veres. ,,Mijn grootmoeder van vaderskant kookte voor iedereen. Ze leerde mij koken. Ze had vroeger gewerkt in de keuken van het jachtslot van graaf Tisza. Mijn grootvader was daar koetsier.'' István Tisza was vanaf 1913 premier van Hongarije en stond bekend als de `almachtige gouverneur van de Hongaarse globe'. Op het jachtbuiten hoorde Tisza in 1914 dat Serviërs in Sarajevo Franz Ferdinand hadden doodgeschoten. In de dubbelmonarchie was hij een van de ferventste voorstanders van een diplomatieke oplossing, maar hij legde het af – de moord mondde uiteindelijk uit in de Eerste Wereldoorlog .

Erzsébet Veres: ,,Het leven van mijn grootouders was niet vol honger, het was werk, werk, werk, om te overleven. Ze bezaten geen eigen huis en werden uitbetaald in natura, in een deel van de oogst. Maar toch, toen het socialisme kwam en het Tisza-landgoed genationaliseerd werd, dachten mijn grootouders er aan terug als een goede tijd. Zij herinnerden zich István Tisza als een aardige man, die een paar keer per jaar naar het jachtslot kwam en dan heel open en vriendelijk met iedereen sprak. Met kerst deelde de familie onder het personeel oude kleren en schoenen uit.''

,,Haar grootouders waren niets, ze waren min of meer slaven'', zegt László. ,,Hongarije was een feodaal land. Het communisme wordt tegenwoordig als door en door verderfelijk afgeschilderd, maar het maakte het ook voor een heleboel mensen, die dat anders nooit hadden kunnen doen, mogelijk naar school of zelfs naar de universiteit te gaan. Waar ik mij in het Hongarije van vandaag voor schaam is de haat en de armoede. Ik ben trots op de Nobelprijswinnaar, de baden, de goede keuken en de kunst en wetenschappen.''

De veertienjarige Nóra speelt intussen computerspelletjes op haar mobiele telefoon. Zij houdt van winkelen en van de muziek van Britney Spears en consorten. In 1995 is ze voor het eerst naar Wenen geweest. Ze vond dat eigenlijk vanzelfsprekend. ,,Ik wil advocaat worden, ik wil mensen helpen. Ik hoop dat ik straks in andere landen kan werken. Dat er geen grenzen meer zullen zijn'', aldus Nóra. ,,Ik schaam me voor de slechte wegen in Hongarije maar ben heel trots op de mooie dorpen .''

,,De tijd is gestopt in de jaren negentig. Alleen de oude mensen blijven in het dorp, het oude huis leunt op mij. Er is geen coöperatie meer, geen werk. Ik heb mijn hele leven gewerkt en wacht nu op mijn rust'', zegt Erzsébet Szábo door de telefoon. ,,Maar ik ben gelukkig dat mijn kinderen, mijn kleinkinderen een beter en veiliger leven zullen hebben dan wij hebben gehad, want veilig was het, pijnlijk genoeg, niet.''

De komende weken verschijnen familieportretten uit alle 25 lidstaten van de EU zoals die er na 1 mei uitziet. Eerdere delen zijn terug te lezen op www.nrc.nl