Voor omroepen is er wel degelijk leven na de Ster

Voor het publieke deel van `Hilversum', voor de luisteraars én kijkers wordt dit jaar van groot belang. Iedereen is het er over eens dat er iets moet gebeuren. Het gaat dan niet om de vraag of de omroepverenigingen in het bestel de Rorschachtest van de commissie-Rinnooy Kan kunnen doorstaan, de commissie die moet beoordelen of de `erkenning' die in 2000 werd gegeven, tot 2005 kan worden verlengd.

De kern van het probleem is, of staatssecretaris Van der Laan de nodige steun krijgt van het kabinet om het bestel in zijn geheel op de schop te nemen. En dat daarbij nu eindelijk eens programmatisch-journalistieke maatstaven prevaleren boven het zoveelste bureaucratische geritsel – het aloude pappen en nathouden.

Van der Laan heeft vorig jaar de toon gezet door hoge eisen te stellen aan de publieke omroep. Meer aandacht voor jongeren, vrouwen en drama, minder voor mannen en hun voetbal, een marktaandeel van nog steeds 40 procent, en als klap op de vuurpijl forse bezuinigingen, oplopend tot 10 procent in 2006. VVD-woordvoerder Frank de Grave riep dan ook vertwijfeld tijdens het Kamerdebat: ,,U wilt alles, mevrouw, alles. En dat kan niet. U zult moeten kiezen.''

Dat was een goede raad. Er moet inderdaad gekozen worden. En wel door `de politiek', omdat vanuit het publieke Hilversum geen heil valt te verwachten. De publieke omroep bevindt zich in een diep dal. Wie, vooral in de tweede helft van het vorige jaar, het openbare `debat' in de media gevolgd heeft, kan zich daarbij iets voorstellen.

Nu wordt er natuurlijk al jaren geklaagd over wat de publieke omroep wel en vooral niet te bieden heeft, maar wat dit keer opviel waren twee aspecten: de klachten kwamen nu ook van de programmamakers; en van geen kant werd uitzicht geboden op hoe het dan wel zou moeten, anders dan via losse suggesties om de omroepverenigingen op te heffen of alles maar aan de programmamakers over te laten. Interessante voorstellen, maar nauwelijks realistisch.

Is er wat te kiezen? Om dat serieus na te gaan, is ruim een half jaar geleden een onafhankelijk onderzoek naar de publieke televisie en – met wat minder nadruk – de publieke radio opgezet. Uitgegaan werd van twee voorlopige doelstellingen. Allereerst moest de aandacht uitgaan naar verbetering op programmatisch-journalistiek gebied: meer zendtijd en armslag voor nieuws en actualiteit, voor serieus Nederlands drama en film, en sport behandelen als nieuws, niet als entertainment. Ten tweede werd de Ster buiten beeld geplaatst en moest de jaarlijkse bijdrage uit de rijkskas voldoende zijn.

Dit leek in het begin de quadratuur van een cirkel, maar tot grote verrassing van het onderzoeksteam bleek het wel degelijk mogelijk de publieke omroep te herstructureren op basis van de voorlopig gekozen uitgangspunten.

Voorwaarden waren dan wel twee in plaats van drie televisiezenders, en drie in plaats van vijf radiozenders. Verder geen live sportverslagen meer, alleen samenvattingen. En de programmataken van NOS RTV – vooral de journaalfunctie – en van NPS voortaan voor verantwoordelijkheid van de omroepverenigingen tezamen laten komen. De omvang van de totale vernieuwde organisatie zou tot tweederde teruggebracht kunnen worden, evenals – op termijn – de personeelssterkte.

Zeer wezenlijk daarbij is de keuze om beheer en bestuur van de nieuwe andere publieke omroep te concentreren bij de omroepverenigingen. De nieuwe organisatie moest licht worden en ook zo plat mogelijk. Daarin past geen zware bovenbouw als die van de NOS.

De financiële kant van deze herstructurering werd doorgerekend door Atos-KPMG Consulting. De jaarbegroting zou in evenwicht komen op een niveau van 520 miljoen euro, tegen 730 miljoen nu. Er is dus nog leven na de Ster.

Hoe komt dit? Onder meer lopen de algemene kosten sterk terug van 114 miljoen euro (15 procent van de begroting) tot 60 miljoen euro (11,5 procent). Ook levert de nieuwe aanpak van sportverslaggeving zijn aandeel. Aan productiekosten en aan sportrechten wordt jaarlijks respectievelijk 49 en (conservatief geschat) 30 miljoen euro uitgegeven. Doordat alleen samenvattingen worden uitgezonden, ontstaat zo een besparing van ruim 60 miljoen euro. En verder is een algemene efficiencyverbetering mogelijk op de directe programmakosten.

Hoe staat dan de inhoudelijke, programmatisch-journalistieke kant er voor?

Allereerst is het voor de programmamakers van belang dat het gemiddelde uurbedrag waarmee zij moeten werken op 25.000 euro komt, tegen nu 24.000 euro. Op jaarbasis betekent dat – bij 12.000 zenduren over twee televisiezenders – 12 miljoen euro meer.

Verder is een verdubbeling mogelijk van de zenduren die aan nieuws en actualiteit worden gewijd en aan serieus Nederlands drama. Voor films geldt: betere uren – geen hele avonden sport –, betere kwaliteit door centrale inkoop en meer titels.

Dat kan, want de publieke omroep beschikt nu weliswaar met drie zenders over zo'n 18.000 zenduren per jaar, maar daarvan worden er 8.000 besteed aan herhalingen. Netto blijft op dit ogenblik voor `verse', nieuwe programmering niet meer dan 10.000 zenduren over, zelfs minder dus dan straks met twee televisiezenders.

De resultaten van het onderzoek dat de titel kreeg Naar een Andere Publieke Omroep, levert op termijn alleen maar voordelen op. Een derde televisiezender blijkt overbodig. De `commercie' heeft geen invloed op de progammering. Reclameonderbrekingen verdwijnen. De organisatie wordt eenvoudiger en de algemene kosten lager. En vooral: er komt meer armslag, tijd en geld voor een betere programmering.

Antonie C.A.Dake is publicist. Het rapport `Naar een Andere Publieke Omroep' is te vinden op:

www.anderepubliekeomroep.nl