Stoffen maken voor de laatste mode

De meeste kleding wordt gemaakt in naaiateliers in lagelonenlanden, maar de stoffen komen uit het westen. Stoffenmaker UCO denkt dat dat zo blijft, ondanks China's opmars als kledingproducent.

Een oorverdovend lawaai komt uit de grote hal vol met lange rijen dicht op elkaar geplaatste weefgetouwen bij kledingstoffenproducent UCO Sportswear in Gent. De ratelende machines weven in sneltreinvaart garens in allerlei kleuren tot denims, stoffen voor spijkerbroeken. Voorafgaand aan het weven zijn de garens eerst gesponnen uit katoen en daarna geverfd. ,,De meeste kledingstoffen worden eerst geweven en pas daarna geverfd of bedrukt, maar voor denimstoffen is het essentieel dat ze vóór het weven geverfd worden'', zegt marketingdirecteur Rinze Koopmans van UCO. De indigoverf die hiervoor gebruikt wordt, trekt niet diep in de katoenvezels, maar vormt een dun laagje op het garen, dat er later in een industriële wasserij met behulp van stenen weer gedeeltelijk afgeschuurd wordt, zodat de witte katoenvezel weer zichtbaar wordt in de stof. ,,Zo ontstaan de voor denimstoffen zo typische kleurcontrasten.''

Het industrieel wassen van de stoffen is een productieproces op zich, dat UCO niet zelf uitvoert. ,,Wij verven en behandelen de stoffen wel zodat wasserijen die daarin gespecialiseerd zijn de gewenste kleureffecten kunnen bereiken.'' Als voorbeeld noemt Koopmans een chemische behandeling waarbij een dun laagje op de stof wordt aangebracht dat zorgt voor een `uitgewassen' effect. ,,Een nieuwe broek ziet er dan uit alsof hij al honderden keren gewassen is.'' Een andere chemische behandeling zorgt ervoor dat een broek er op sommige plaatsen, zoals knieën en zitvlak, afgesleten uitziet. ,,De kunst is ervoor te zorgen dat het er wel afgesleten uitziet, maar dat de stof net zo sterk is als de rest van de broek. Anders zou hij veel te snel kapot gaan.''

De stoffen die de fabriek van UCO Sportswear in Gent produceert, zien er nog niet uit als stof voor spijkerbroeken. Dat is pas na de nabehandeling in een wasserij. Maar voor de stof daar terechtkomt, is hij eerst verwerkt tot kleding in naaiateliers in Noord-Afrika, Oost-Europa, Turkije en voor een klein deel in Zuid-Europa. ,,Toch zitten vrijwel al onze klanten in West-Europa'', zegt UCO-directeur Alain Vermeersch. ,,Degenen die kiezen welke stoffen ze in hun collectie opnemen, zijn de ontwerpers van merkkleding en de inkopers van grote modewinkelketens in het westen. Wij leveren maar een klein deel van onze productie rechtstreeks aan naaiateliers die voor eigen rekening en risico kleding produceren en op de markt brengen.''

Vrijwel alle kledingstoffen komen volgens Vermeersch uit West-Europa. ,,In Noord-Afrika zijn geen stoffenproducenten die hoge kwaliteit kunnen leveren en in Oost-Europa zitten helemaal geen lokale leveranciers. Alleen Turkije heeft een eigen stoffenindustrie. Daar leveren we dan ook relatief weinig.'' Westerse stoffenproducenten zoals UCO lopen volgens Vermeersch wel meer voorop met het introduceren van nieuwe ontwerpen en stoftypen. ,,De Turkse producenten zijn weer heel goed in het kopiëren daarvan.''

Vermeersch verwacht niet dat de stoffenproductie snel zal verdwijnen naar lagelonenlanden. ,,Kleding maken is arbeidsintensief, stoffen maken niet.'' Dat is te zien in de fabriek in Gent. Het spinnen, verven, weven en chemisch nabehandelen van de stoffen gaat vrijwel volledig automatisch. Het merendeel van de 600 werknemers houdt zich bezig met zaken als inkoop, logistiek, productontwikkeling en marketing. De productie van kleding verschuift wel steeds vaker van de landen rond de Middellandse Zee naar China. Voor veel textielproducten uit China golden lange tijd handelsbelemmeringen, maar sinds China lid is van de Wereldhandelsorganisatie WTO is de EU bezig de tariefmuren af te breken. In Europa vervallen op 1 januari de laatste importbeperkingen. Toch verwacht Vermeersch geen plotselinge ingrijpende veranderingen. ,,Modehuizen konden altijd al uitwijken naar landen als Pakistan en Bangladesh, maar dat hebben ze lang niet allemaal gedaan.''

Kleding laten maken in China is volgens Vermeersch vooral interessant als het om hele grote volumes van dezelfde kledingstukken gaat. ,,Voor 50.000 stuks ga je niet naar China, voor een paar miljoen wel.'' De klanten van UCO, producenten van merkkleding en ketens van modewinkels, bestellen doorgaans kleinere aantallen, omdat ze streven naar een hoge omloopsnelheid van hun collecties en snel willen kunnen inspelen op de laatste mode.

Dat geldt vooral voor de winkels. ,,Die spelen heel kort op de bal. Terwijl ontwerpers van merkkleding eind 2003 al bezig zijn met de zomercollectie van 2005, bestellen de winkelketens nu nog stoffen die deze zomer al in de winkels moeten liggen.'' Om dat te kunnen realiseren, moet UCO bestelde stoffen binnen twee tot drie weken leveren en hebben naaiateliers daarna ongeveer even lang de tijd om er kledingstukken van te maken. ,,Dat red je nooit als dat helemaal uit China moet komen. Winkelketens zullen voor hun modegevoelige kleding die ze snel moeten hebben dan ook niet zo snel naar China gaan, dat doen ze alleen met kleding die ze langere tijd in hun collectie hebben.''

Omdat de winkels steeds meer hun eigen kleding laten maken en minder afhankelijk willen zijn van leveranciers van merkartikelen, nemen de winkelketens een groeiend deel van de afzet van UCO voor hun rekening. Het belang van snelheid en flexibiliteit neemt daardoor toe. ,,Dat heeft ons grote investeringen en de nodige logistieke gymnastiek gekocht, maar is ook onze redding. Het snelle, modieuze marktsegment zullen we niet snel kwijtraken aan Chinese concurrenten.''