Minder geld naar starters technologie

Nederlandse participatiemaatschappijen hebben vorig jaar evenveel geld in volwassen bedrijven gestoken als in het topjaar 2001, maar beduidend minder in jonge, technologische bedrijven.

Per saldo gaven de participatiemaatschappijen vorig jaar minder geld uit. Die daling werd mede veroorzaakt door achtergebleven investeringen in zogeheten expansiekredieten. Dit blijkt uit onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP) dat vanochtend is gepubliceerd.

Ten opzichte van een jaar eerder steeg de financiering van volwassen bedrijven met 40 procent tot 782 miljoen euro, waarbij het onder meer om management buy outs gaat. In jonge, technologische bedrijven werd door deze financiers 79 miljoen euro gestoken, 60 procent minder dan in 2002. Ook expansiefinancieringen namen af, waardoor per saldo de totale investeringen met 18 procent terugliepen tot 1,1 miljard euro. Tegelijkertijd desinvesteerden participatiemaatschappijen voor 1 miljard euro tegen 400 miljoen een jaar eerder. Bij een flink deel daarvan ging het om faillissementen. De omvang van deze post bedroeg in 2003 315 miljoen euro tegenover 230 miljoen euro in het jaar ervoor.

Participatiemaatschappijen spelen een toenemende rol in de financiering van bedrijven en zij nemen in veel gevallen, al of niet tijdelijk, de rol van de beurs over. Dat is onder meer te zien in het teruglopen van het aantal beursfondsen.

Zo bekijken het Amerikaanse KKR, het Britse Change Capital en het Nederlandse Alpinvest naar de overname van het detailhandelsconcern VendexKBB. En PCM, uitgever van onder meer NRC Handelsblad, praat exclusief met het Brits/Amerikaanse Apax.

Leden van de NVP beheren een vermogen van 7,8 miljard euro. Dit geld is in 1.200 bedrijven gestoken, waarvan 80 procent zich in Nederland bevindt. Volgens de participatiemaatschappijen, die hun geld vooral krijgen van verzekeraars, pensioenfondsen en rijke particulieren, zal het aantal buy outs verder toenemen: én door relatief kleine bedrijven die hun beursnotering willen opgeven én door grotere bedrijven die hun niet-kernactiviteiten willen verzelfstandigen.