Gelijktrekken salarissen niet simpel

Ministers en staatssecretarissen horen meer te verdienen dan ambtenaren en wethouders, vindt de commissie-Dijkstal. Maar moet de minister nu meer verdienen of de ambtenaar minder?

Nagenoeg geruisloos verhoogde het laatste kabinet-Kok in 2001 de salarissen van wethouders tot 90 procent van het salaris van de burgemeesters. Daarvoor was ook alle aanleiding. Extern onderzoek had uitgewezen dat wethouders op grote schaal onderbetaald werden. Maar het resultaat van die salarisverhoging is opmerkelijk. Een wethouder in Amsterdam of Rotterdam verdient nu met 116.375 euro meer dan een staatssecretaris en een fractie minder dan een minister (122.000 euro).

Dijkstal wijst er in zijn rapport op dat de hoogte van het ministerssalaris de afgelopen twintig jaar is achtergebleven bij dat van de salarisontwikkelingen in de publieke en private sector. Ten opzichte van de top van het ambtelijke apparaat is die achterstand zelfs opgelopen tot dertig procent; ambtenaren verdienen soms meer dan hun eigen baas. Dijkstal noemt die achterstand `niet te rechtvaardigen' en vindt het voor de hand liggend om dat gat nog deze kabinetsperiode te repareren.

Maar in de politiek wordt er vooralsnog terughoudend gereageerd op het voorstel om het ministerssalaris te verhogen. De geruisloosheid waarmee verhoging van wethouderssalarissen in 2001 werd doorgevoerd, maakt nu plaats voor een `pas op de plaats', nog voordat er publieke opwinding over de voorstellen uitbreekt. Minister Zalm (Financiën, VVD) noemde vorige week een dergelijke salarisverhoging al niet opportuun, gezien de huidige maatschappelijke verhoudingen. Een Kamermeerderheid vindt dat vooralsnog de salarissen van topambtenaren moeten worden afgeroomd om die achterstand in te halen. Ook Remkes zelf wilde gisteren bij het in ontvangst nemen van het rapport de conclusies niet voluit omarmen. Waar het kabinet iedereen om loonmatiging vraagt, zijn dergelijke salarisstijgingen nauwelijks te verkopen. Ook de angst voor het publieke imago van `zakkenvullers' speelt daarbij volgens Remkes een rol. ,,Er moet evenwicht in het salarisgebouw komen'', aldus Remkes. Maar hij zei de krantenkoppen al te kunnen voorspellen als hij inderdaad zou voorstellen om de ministerssalarissen met dergelijke percentages te verhogen. ,,Politici horen nu eenmaal niet tot de meest populaire diersoort.''

Toch biedt het rapport-Dijkstal argumenten aan om de ministerssalarissen op te schroeven, niet alleen om het verschil te dichten tussen ministers en de ambtelijke top, maar tussen de salarissen die verdiend worden in de (semi-)publieke sector. Ook daar zou het ministerssalaris de norm moeten zijn, maar dat is niet het geval, zo bevestigde Remkes gisteren. Op korte termijn te publiceren onderzoek bevestigt volgens hem het beeld dat in de semi-publieke sector vaak veel hogere salarissen worden uitbetaald dan die van ministers. Maar het gelijktrekken van die salarissen is slechts beperkt mogelijk, zo constateert de commissie-Dijkstal. Want het gaat daarbij om bestuurstaken die de afgelopen jaren aan directe invloed van de minister onttrokken zijn. Dijkstal beperkt zich in zijn advies tot publiekrechtelijke bestuursorganen, zoals het college bescherming persoonsgegevens, de kadasters of de huurcommissies. Die vallen rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van de betrokken vakministers. Maar het is volgens de commissie onduidelijk welke rol de minister kan en mag spelen bij de vaststelling van de bezoldiging van bestuursleden. Het komt zelfs vaak voor dat bestuurders zelf hun eigen salaris vaststellen.

Die zelfstandige bevoegdheid wringt, aldus de commissie, omdat de minister wel verantwoording moet afleggen in de Tweede Kamer over de besteding van de gelden die daar omgaan. Daarom moet de minister ook degene zijn die de bezoldiging of schadeloosstelling vaststelt. Ook daarbij moet gelden dat die het salarisniveau van een minister niet mag overstijgen. Afwijking van dat niveau mag alleen bij wet of Algemene Maatregel van Bestuur.

Privaatrechtelijke bestuursorganen, zoals de NOS, De Nederlandsche Bank, Schiphol of de NS, vallen buiten de competentie van de minister als het om salarisvaststelling gaat. De commissie geeft dan ook geen antwoord op de vraag hoe daar exorbitante salarisstijgingen in toom kunnen worden gehouden. De staat heeft daar hooguit als aandeelhouder invloed op en kan vanuit die positie salarisvoorstellen voor het bestuur beoordelen. Als de politiek daar nog verdere advisering over wil, zal ze daar een nieuwe commissie voor in het leven moeten roepen.

Dijkstal noemt in zijn rapport verdere voorstellen om de wachtgeldregeling voor afgetreden politici te versoberen. Zo moet voor afgetreden politici die jonger dan vijftig jaar zijn, het uitkeringsrecht worden teruggebracht van zes naar vier jaar. Wie jonger is dan 57,5 jaar krijgt daarnaast een sollicitatieplicht, zoals dat ook voor andere werknemers geldt. Voor politieke functies geldt weliswaar een groot afbreukrisico als gevolg van bijvoorbeeld verkiezingen en de manier waarop politieke partijen nieuwe kandidaten rekruteren. Maar dat maakt volgens Dijkstal een heroriëntatie op de reguliere arbeidsmarkt toch ,,gewenst en gerechtvaardigd''.