Dienen en verdienen

Gerrit Zalm heeft vorig jaar een aanbod afgeslagen om toe te treden tot de bestuursraad van een grote Nederlandse bank. Als hij hierop was ingegaan, had hij zich een hoop ellende met bezuinigingen bespaard en was zijn brutosalaris vermoedelijk het tienvoudige geweest van zijn huidige inkomen. Dit voorbeeld illustreert dat er meer is dan de hoogte van de beloning die maakt of iemand een ministerspost ambieert. Er is ook zoiets als persoonlijke betrokkenheid bij de publieke zaak. Het voorbeeld illustreert tevens dat het mogelijk is vakkundige bewindspersonen aan te trekken zonder dat de salarisschaal overeenkomt met die van een bestuurder van een onderneming. Over `dienen en verdienen' van ministers heeft een commissie onder leiding van oud-minister Hans Dijkstal gisteren een rapport met aanbevelingen uitgebracht. Vooropgesteld moet worden dat een ministerssalaris – bruto 122.000 euro inclusief toeslagen – heel behoorlijk is, temeer omdat talloze indirecte voordelen eraan zijn gekoppeld. Maar het rapport maakt ook duidelijk dat er in de loop der jaren een achterstand is ontstaan als de salarissen van ministers worden afgezet tegen de stijgingen in de marktsector, de ambtelijke top en zelfstandige bestuursorganen. Bovendien zijn in vergelijking met andere Europese landen de inkomens van Nederlandse bewindspersonen bescheiden.

Allemaal redenen om een verhoging van de ministerssalarissen met 30 procent, plus een inhaalslag op termijn van nog eens 20 procent, alleszins te billijken, meent de commissie-Dijkstal. Hoe onweerlegbaar deze redenering ook is, ze kan moeiteloos worden gevolgd voor talloze beroepsgroepen die te maken hebben met achterblijvende salarisontwikkelingen. Ze houdt ook geen rekening met de maatschappelijke en politieke werkelijkheid. Die is dat er voor werknemers in Nederland een akkoord over loonbevriezing is gesloten voor 2004 met een uitloop naar 2005. Afgezien hiervan: het feit dat bestuurders bij multinationals, voetballers, diskjockeys en tv-persoonlijkheden zich exorbitante inkomensverhogingen toekennen, is geen reden deze lijn door te trekken naar het publieke domein. In dit geval kunnen politici een voorbeeld stellen aan de top van het bedrijfsleven.

Intussen mag het misschien wringen dat het toenmalige kabinet in de jaren negentig heeft besloten extra beloning van topambtenaren mogelijk te maken. Ook zijn de salarissen van bestuurders van verzelfstandigde overheidsdiensten sinds die tijd enorm gestegen. Dit alles om de aantrekkelijkheid van deze functies ten opzichte van het bedrijfsleven te behouden. Hierbij zijn in enkele gevallen opwaartse uitschieters gemaakt die niet te rechtvaardigen zijn. Maar het is goed verdedigbaar dat bepaalde topambtenaren of managers van zelfstandige bestuursorganen meer verdienen dan hun politieke bazen. Bewindslieden kunnen na hun ambtsperiode een functie in het bedrijfsleven of in bestuursorganen bekleden waarbij ze worden beloond op grond van de ervaringen die ze hebben opgedaan in het publieke domein. Daar is niets mis mee. Zoals omgekeerd succesvolle ondernemers of bestuurders van ZBO's best een stapje terug mogen doen in inkomen als ze besluiten hun talenten nog een aantal jaren aan de publieke zaak te wijden. Daar valt veel meer te beleven dan louter een goed inkomen.