Deze historische strijd mogen we nooit opgeven

De VS en hun bondgenoten mogen nu geen zwakte laten zien in Irak, vindt Tony Blair. Terugtrekking van de troepen stilt de honger van extremisten niet.

We zijn in Irak in een historische strijd verwikkeld. Van de uitkomst hangt meer af dan het lot van het Iraakse volk. Als we falen – wat niet zal gebeuren – lijdt niet alleen `de macht van Amerika' een nederlaag. Dan wordt de hoop op vrijheid en godsdienstige verdraagzaamheid in Irak de bodem in

geslagen. Dictators zullen zich verheugen; fanatici en terroristen zullen triomferen. Elke gematigde Arabier zal – in het volle besef dat de toekomst niet aan de fundamentalistische godsdienst dient te behoren – weer in bittere teleurstelling vervallen.

Als we slagen – als Irak een soevereine staat wordt, democratisch geregeerd door het Iraakse volk; als de rijkdom van dat potentieel rijke land hun rijkdom en de olie hun olie wordt; als de politiestaat plaatsmaakt voor een rechtsstaat en eerbied voor de mensenrechten – stel u voor wat een slag dat zou zijn voor de giftige propaganda van de extremisten. Stel u voor wat een impuls tot verandering dat zou betekenen voor het gehele Midden-Oosten.

In elk land, ook in het onze, preken de fanatici hun evangelie van de haat, waarbij ze hun leer baseren op een moedwillige verdraaiing van de echte islam. In hun kielzog bevinden zich groepjes jongemannen die bereid zijn waar en wanneer ze maar kunnen terreuraanslagen te plegen. Over de hele wereld zijn inmiddels duizenden slachtoffers gevallen, maar de uitwerking gaat verder dan de dood van onschuldige mensen.

De terroristen azen op etnische of godsdienstige wrijving. Van Kasjmir tot Tsjetsjenië, Palestina en Israël stoken ze tweedracht en ontmoedigen zij verzoening. In Europa hebben ze het bloedbad in Madrid op hun geweten. Ze bedreigen Frankrijk. Door hun toedoen moest het bezoek van de Duitse president aan Djibouti worden afgelast. In Groot-Brittannië is hun de voet dwarsgezet, maar alleen zolang als het duurt.

Natuurlijk maken zij gebruik van Irak. Irak is voor hen van wezenlijk belang. Doordat de Amerikanen na elke aanslag de orde proberen te herstellen, kunnen hun steeds weer wreedheden worden aangewreven. Omdat elke chaotische toestand een gevaar vormt voor de weg naar vrede en democratie die de meeste Irakezen willen volgen, proberen zij daarmee de coalitie te ontmoedigen en de aftocht te bewerken die de fanatici de overwinning zou brengen.

Zij weten dat dit een historische strijd is. Ze weten dat hun overwinning veel meer zou zijn dan een nederlaag van Amerika of Groot-Brittannië. Het zou een nederlaag zijn voor elke beschaving en democratie ter wereld. Zij weten dat, maar geldt dat ook voor ons?

Geconfronteerd met deze strijd, waarvan ons eigen lot afhangt, blijkt een aanzienlijk deel van het westerse publiek terughoudend (zo niet half en half te hopen dat we zullen falen), en in elk geval vol leedvermaak over de moeilijkheden die wij ondervinden.

Wat is nu precies het karakter van de strijd in Irak zelf? Dit is geen `burgeroorlog', al is het doel van het terrorisme ongetwijfeld om te proberen die te veroorzaken. De huidige vlaag van geweld heeft zich niet over heel Irak verspreid. Een groot deel van Irak is er niet door aangetast en de meeste Irakezen wijzen het af. De rebellen zijn gewezen sympathisanten van Saddam, boos dat ze hun status als `baas' zijn kwijtgeraakt, terreurbewegingen die banden met Al-Qaeda hebben en sinds kort ook aanhangers van de shi'itische geestelijke Muqtada-al-Sadr.

Laatstgenoemde vertegenwoordigt in de verste verte niet het shi'itische meerderheidsstandpunt. Het is een fundamentalist, een extremist, een voorstander van geweld. Hij wordt gezocht in verband met de moord van vorig jaar op de gematigde en veel hogere geestelijke ayatollah Al-Khoei. De openbaar aanklager, een Iraakse rechter die zijn aanhouding heeft bevolen, belichaamt de schrikbarende eenzijdigheid die de westerse berichtgeving deels inmiddels kenmerkt. Hij wordt afgedaan als stroman van de Amerikanen, maar hij heeft moordaanslagen en extreme intimidatie getrotseerd om een fatsoenlijke rechtsgang te waarborgen en heeft het arrestatiebevel doorgezet, ondanks het directe gevaar voor zijn leven.

Zo staat het er dus voor. Aan de ene kant: terroristen van buiten, een extremist die zijn eigen militie heeft gevormd en de restanten van een wrede dictatuur die honderdduizenden van zijn eigen mensen heeft vermoord en de overigen in slavernij hield. Aan de andere kant: mensen met onmetelijke moed en humaniteit die durven geloven dat de fundamentele rechten van de mens en de vrijheid niet strijdig zijn met de cultuur van de Arabische wereld en het Midden-Oosten, maar juist hun redding betekenen.

De laatste paar weken heb ik kennisgemaakt met verscheidene leden van de Iraakse regering, de eerste echte representatieve regering die Irak heeft gekend. Mensen als mevrouw Barwari, de minister van Openbare Werken, die net een tweede moordaanslag heeft overleefd waarbij haar lijfwacht omkwam; mensen als Zebari, de minister van Buitenlandse Zaken. Intelligente mensen die vooruitkijken, verdraagzaam, toegewijd aan hun land. Zij weten dat de `bezetting' kan worden benut om een anticoalitiegevoel op te roepen. Ook zij willen dat hun land door hun eigen volk en niemand anders wordt geregeerd. Maar ze weten ook dat hun land, als wij de benen nemen, overgeleverd is aan oorlogvoerende groeperingen die alleen verenigd zijn in hun afkeer van democratie.

Het tragische is dat er in Irak, buiten het geweld dat de berichtgeving overheerst, ongelooflijke kansen op vooruitgang zijn. Er is een enorme wederopbouw aan de gang; de erfenis van tientallen jaren verwaarlozing wordt langzaamaan hersteld.

Op 1 juni zal de elektriciteitscapaciteit 6.000 megawatt bedragen, 50 procent meer dan voor de oorlog, maar nog wel minder dan de 7.500 MW die nu nodig is wegens de grootscheepse ontwikkeling van de economie, die naar verwachting dit jaar met 60 procent en volgend jaar met 25 procent zal groeien.

De eerste particuliere banken worden geopend. Er is een nieuwe munt in omloop. Werkenden hebben hun salaris zien verdrie- of verviervoudigen en de werkloosheid daalt. Er is een miljoen auto's geïmporteerd. Dertig procent heeft inmiddels satelliet-tv – eens verboden – waarop de Irakezen kunnen kijken naar Al-Jaziera, de radicale Arabische tv-zender die hun vertelt hoe vreselijk de Amerikanen zijn.

Internet is niet langer verboden. Religieuze heiligdommen zijn niet meer gesloten. Groepjes vrouwen bespreken samen met juristen hoe ze kunnen waarborgen dat de nieuwe grondwet echt bijdraagt tot gelijkheid. De universiteiten gaan gretig op bezoek bij hun westerse tegenhangers om te zien hoe een modern systeem van hoger onderwijs, met vrijheid van studiekeuze, het nieuwe Irak zou kunnen helpen.

Mensen in het Westen vragen: waarom verheffen zij hun stem niet, deze vlaggendragers van het nieuwe Irak? Waarom nemen de shi'itische geestelijken niet uitdrukkelijker afstand van Al-Sadr? Ik begrijp waarom die vraag wordt gesteld. Maar het antwoord is eenvoudig: ze zijn bezorgd. Ze herinneren zich 1991, toen het Westen hen aan hun lot overliet. Zij kennen de Iraakse straat, die niet gewend is aan democratische discussie, waar het wemelt van de wildste geruchten, en ze kennen de ontvlambaarheid. Ze lezen de westerse kranten en horen de westerse media. En ze vragen zich net als de terroristen af: hebben wij wel de fut om dit vol te houden?

Ik denk van wel. En de rest van de wereld moet daar maar op hopen. Dit wil allemaal niet zeggen wij niet moeten leren en luisteren. Er is een agenda waarmee de meerderheid van de wereld zich zou kunnen verenigen. Die behelst enerzijds de strijd tegen terreur en schurkenstaten en anderzijds een actieve aanpak van de oorzaken die hun voedingsbodem vormen: de Palestijnse kwestie; armoede en ontwikkeling; democratie in het Midden-Oosten; dialoog tussen de grootste godsdiensten.

Ik ben er sterk van overtuigd geraakt dat de enige veiligheid uiteindelijk besloten ligt in onze waarden. Hoe vrijer mensen, hoe verdraagzamer tegenover anderen; hoe welvarender, hoe minder geneigd die welvaart te verspillen aan zinloze twisten en oorlog.

Maar onze grootste bedreiging, afgezien van het directe gevaar van het terrorisme, is onze zelfgenoegzaamheid. Als sommigen de uitbarsting van islamitisch extremisme aan Irak toeschrijven, zijn ze dan echt vergeten wie op 11 september 2001 wie heeft vermoord? Als ze ons oproepen onze troepen terug te halen, denken ze dan in ernst dat daarmee de honger van deze extremisten zou zijn gestild, om maar te zwijgen van de gevolgen voor de Irakezen?

Of dat wij opeens gespaard zullen blijven, als we het onze Amerikaanse bondgenoten alleen laten uitvechten? Als we ons terugtrekken uit Irak, zullen ze ons ook zeggen dat we weg moeten uit Afghanistan en daarna maar helemaal uit het Midden-Oosten – en wie weet wat dan weer?

Maar één ding is zeker: ze geloven evenzeer in onze zwakte als in hun eigen religieuze fanatisme. En hoe zwakker wij zijn, hoe meer ze ons te na zullen komen.

Het valt niet mee om mensen van dit alles te overtuigen; om te zeggen dat terrorisme en instabiele staten met massavernietigingswapens eenvoudigweg twee kanten van dezelfde medaille zijn; om mensen te vertellen wat ze niet willen horen: dat we in een wereld waarin wij westerlingen alle genoegens van het hedendaags bestaan genieten – diepgaand en oppervlakkig – in ernstig gevaar verkeren.

Er is een strijd die wij moeten voeren, een strijd die wij moeten winnen, en die vindt op dit moment plaats in Irak.

Tony Blair is premier van het Verenigd Koninkrijk