Bush en de werkelijkheid

New York. ,,Doet Irak terzake?'' vraagt Morton Abramowitz zich af in The National Interest, een kwartaalschrift van conservatieve signatuur (vice-voorzitter van de redactieraad is Henry Kissinger). Bij alle hoogoplopende meningsverschillen zijn realisten, neoconservatieven en liberals het op één punt eens. Nu Irak ontruimen zou een ramp zijn, voor de Irakezen zelf, voor het Westen, het Midden-Oosten, de hele wereld. Dan volgen de bekende argumenten: een burgeroorlog zou het gevolg zijn, onbecijferbare effecten in het Midden-Oosten, het internationaal terrorisme had een grote overwinning behaald, gezichtsverlies voor de Amerikanen erger dan in Vietnam, enzovoort.

Dat alles ziet Abramowitz ook. Maar, stelt hij ongeveer halverwege zijn betoog vast, ,,Amerika is een wereldmacht van dusdanige omvang dat het zich een vroeg terugtrekken uit Irak kan veroorloven. De wereld zal in alle belangrijke kwesties van ons afhankelijk blijven.'' Bekijk het dus eens van een andere kant. ,,Vasthouden aan de koers zou wel eens kunnen betekenen dat we ons verder moeten ingraven. Het enige dat we met een benadering van zekerheid kunnen zeggen is dat, of we nu blijven dan wel vertrekken, het in Irak voorlopig een rotzooi zal blijven. Het is een kostbare onderneming (messy, costly), die ons nog veel energie zal kosten en waarover nog lang het publieke debat zal worden gevoerd.''

Is Irak ons dit alles waard? Hij antwoordt niet met ja of nee. Maar alleen al door de vraag te stellen, heeft hij een taboe aangetast, hoewel niet doorbroken. Want in de aanloop naar de presidentsverkiezingen is het ondenkbaar dat er bij de Republikeinen of Democraten iemand van enig belang zou zijn die deze oplossing zou bepleiten, een einde dat gelijkstaat met een nationale nederlaag.

Abramowitz heeft zijn essay op 17 februari voltooid, ruim vóór de dubbele crisis die een paar weken geleden is uitgebroken. Of de duvel ermee speelde: de opstand in Fallujah en andere steden viel samen met de verhoren van de commissie die de voorgeschiedenis van de elfde september onderzoekt. Wat die na Richard A. Clarke in zijn boek Against All Enemies aan het licht brengt, bevestigt de mening dat de president zelf en zijn ministers in de maanden voor de aanval niet goed genoeg hebben opgelet, want te veel met hun hoofd bij andere zaken. Minister Ashcroft, de FBI en de CIA hebben elkaar niet goed begrepen, waren op andere gevaren geconcentreerd. De president en het Pentagon dachten aan Saddam Hussein en de hervorming van het Midden-Oosten.

Had de aanval vermeden kunnen worden? Dat zullen we nooit weten. Maar het feit op zich dat de vraag gesteld kan worden, is al een reden tot verbittering, in de eerste plaats voor de nabestaanden van de 3.000 in de Twin Towers die zijn vermoord. Van die verbittering maken ze geen geheim.

De regering heeft prioriteit gegeven aan het bestrijden van de verkeerde vijand. Saddam Hussein, wel een onbetwiste schurk, had geen banden met Al-Qaeda, geen massavernietigingswapens. Nadat dit duidelijk was geworden, werd het oorlogsdoel veranderd in bevrijding van het Iraakse volk, een humanitaire onderneming. Dan komt het bevrijde volk in opstand tegen de bevrijders die bezetters zijn geworden. De humanitaire missie verandert gaandeweg in wat we vroeger in Nederland een `politionele actie' noemden. Ik heb het eerder geschreven, bij alle verschillen doet de terminologie waarmee Washington zijn beleid verklaart, me meer en meer denken aan onze koloniale nadagen, toen minister-president Schermerhorn (volbloed socialist) liet weten dat ,,de pesthaard Djokja moest worden uitgeroeid''. In Djokjakarta zetelde toen de regering van de Republiek Indonesia. Voor dit land hadden we een structuur van deelstaten ontworpen.

Wat nu in het geval Irak het humanitaire van de missie aangaat: al te vaak wordt vergeten dat de oorlog al aan omstreeks 8.000 of meer Iraakse burgers het leven heeft gekost, terwijl er als bijverschijnsel van de democratisering ook flinke materiële verwoestingen zijn aangericht. Dat is niet alleen een `humanitair' maar ook een politiek feit.

De theorie van de oorlog raakt in het land zelf meer en meer in tegenstelling tot de praktijk. Bij het vangen of buiten gevecht stellen van de saboteurs, de kwaadwilligen, de terroristen, hoe ze verder genoemd worden, is het bijkomend resultaat dat de collateral damage die het gewone volk voor zijn rekening moet nemen, steeds groter wordt. Zo ontstaat de vicieuze cirkel, bekend van vergelijkbare expedities door `het Westen' – welk westers land dan ook – in gebieden die niet tot het Westen horen. Het volk keert zich tegen de vreemdelingen, hoe nobel hun bedoelingen ook mogen zijn.

Toen kwam gisteravond de persconferentie van de president. Zeer noodzakelijk, nadat hij de afgelopen weken de wereld voornamelijk vanuit zijn boerderij in Texas had bestuurd. Twaalf minuten inleiding en daarna antwoorden op vaak zeer directe, zeer kritische vragen. Over het algemeen was hij zeker van zijn zaak. Een grapje waar het gepast was, en diepe ernst of ontroering, het aanroepen van de Almachtige. Alles op het juiste ogenblik. Vakmanschap.

Zo hoort het voor een president. Nog altijd gelooft hij in het bestaan van de massavernietigingswapens. En als er niet een kleine minderheid van misdadigers in Irak het werk van de Coalitie zou bederven, was men daar allang op weg naar de voorbeeldige democratie. Misschien zijn er meer soldaten nodig. Als de generaals daarom vragen, kunnen ze die krijgen. Hoe kritisch de vraag ook was, de steller kreeg als antwoord dat we daar op de goede weg zijn en niet van de koers moeten afwijken.

Zo werd deze persconferentie omgebouwd tot een waarschijnlijk doeltreffende verkiezingsbijeenkomst. De cijfers van het onderzoek zijn nog niet binnen. De optie van Abramowitz kwam niet aan de orde. Het is de president weer gelukt de werkelijkheid buiten Amerika achter zijn voorkomen van vaderlandslievende vastberadenheid te verbergen. De soldaten en nu de gijzelaars ter plaatse weten beter.