Virus

De media weten nog steeds niet goed wat onder de mensen leeft, zo bleek me de afgelopen weken. Een van de hinderlijkste plagen die de mens kunnen treffen, bleef totaal genegeerd. Overal kon je mensen zicht- en hoorbaar zien lijden, maar geen verslaggever nam er notitie van, geen tv-actualiteitenrubriek vond het interessant genoeg. Heeft Pim dan echt voor niets geleefd?

Waarom deze selectieve verwaarlozing?

Omdat het `maar' om een verkoudheidsgolf gaat. Wij van de media denken dat alleen griepgolven belangrijk zijn, maar ik durf te beweren dat het verkoudheidsvirus minstens zo slopend en ondermijnend voor het moreel is.

Vooral het nu heersende virus is van een zeldzaam smerige vastberadenheid. Het veroorzaakt eerst een felle keelpijn aan één kant, trekt zich dan ogenschijnlijk onderdanig terug, maar steekt na drie, vier dagen onvermurwbaar de kop op om de patiënt uit te mergelen met koppijn en slapeloosheid.

Verkoudheid geldt als de mildste aller ziekten, maar ik zie haar meer als een satanische knipoog van de Dood, alsof die wil zeggen: je ziet het, jij dacht dat je je kiplekker voelde, maar ik verander je binnen twee dagen in een machteloze zak van slijmerig vocht.

De afgelopen dagen nam ik in gezelschap overal heimelijk steekproeven. Ik telde de neuzen en ze wezen bijna allemaal dezelfde kant op: die van de zakdoek. (Sommige mensen lossen het anders op, maar ik wil het voor de verandering vandaag in dit stukje zindelijk houden). Op een receptie hoorde ik talrijke mensen hoesten en proesten en tijdens een familiedinertje met Pasen werd de helft van de aanwezigen, onder wie ikzelf, al misselijk van de associaties die het paasei opriep.

Ja, het virus heerste als een tiran. Heerste? Héérst.

Vanmorgen, kort voordat ik me met tranende ogen aan het schrijven van dit stukje zette, zag ik Bertus Hendriks, de Midden-Oostenkenner, in actie bij de ontbijttelevisie. Hij moest praten over Irak, maar ik hoorde alleen maar een man die zwaar teleurgesteld was dat hij, uitgerekend op de dag van een ontmoeting met Daphne Bunskoek, niet méér in de aanbieding had dan een verstopte neus. Zo win je het nooit van Jeroen Pauw.

Om een of andere reden beschouw ik verkoudheid vooral als een Hollandse ziekte. Natuurlijk, het komt overal voor, maar wij zijn er beter in dan de meeste andere landen. Net als met hockey. Alles wat afstotend is, daar blinken wij in uit: hockey, Idols, zaklopen, neussnuiten.

Ik had de afgelopen dagen vooral erg te doen met de 850.000 toeristen die Nederland bezochten. Omdat de media hun plicht verzaakten, konden zij niet weten wat hun te wachten stond. Verheugd spoedden zij zich naar de Keukenhof en de Efteling en al die andere vreselijke plaatsen, waar een Nederlander alleen naartoe gaat als strenge gezinstherapeuten hem dat voorschrijven. Vandaag keren al die toeristen terug, onwetend nog van de schaterlachende bacteriën op hun slijmvliezen.

Medelijden heb ik ook met Arjan Erkel, die duizenden besmette handen moet schudden. Als hij straks wakker wordt met een ontstoken keel, zal hij pas goed beseffen: ik ben weer terug in Nederland.