Vergoeding schuldeisers van Fokker

De obligatiehouders van de in 1996 failliet verklaarde vliegtuigbouwer Fokker krijgen 37 procent vergoed van een converteerbare obligatielening die het bedrijf in 1989 heeft gebruikt om de bouw van een aantal vliegtuigprogamma's te financieren. Dat is het gevolg van jarenlang procederen tegen Fokker van gedupeerde obligatiehouders, die daarvoor zelfs de gerenommeerde Amerikaanse `schuldenhandelaar' Gary Klesch hebben geconsulteerd. Klesch was eerder succesvol actief voor gedupeerde obligatiehouders bij het failliete DAF en bij Eurotunnel.

In 1997 zat er in de failliete boedel van Fokker nog 1,1 miljard gulden om de schuldeisers terug te betalen. Ook kon Fokker nog de opbrengst van tien nog niet verkochte vliegtuigen te gelde maken. De bedragen waren in ieder geval onvoldoende om de schuldeisers af te lossen. Zo eiste de voormalige moedermaatschappij van Fokker Dasa 5 miljard mark, een bedrag dat later werd teruggebracht naar 485 miljoen. Wel werd een aantal obligatiehouders individueel schadeloos gesteld door derden. Zo werd Dresdner bank door een Duitse rechtbank veroordeeld tot een schadeloosstelling van 71.000 mark omdat het zijn cliënten bij de verkoop van Fokker-obligaties verkeerd zou hebben voorgelicht.

De curatoren stelden na het faillissement van Fokker vast dat gedupeerde aandeelhouders en obligatiehouders naar hun geld konden fluiten. Met name de gedupeerde obligatiehouders lieten het daar niet bij zitten. Na jaren procederen krijgen ze nu ruim een derde van hun geld terug. De `gewone' schuldeisers, zoals leveranciers van onderdelen als bouten, moeren en diensten, krijgen acht jaar na het faillissement al hun geld terug.