Gijzelingenbeleid

Arjan Erkels precieze verhaal over zijn gijzeling in de Russische deelrepubliek Dagestan en zijn onverwachte vrijlating dit paasweekeinde moet nog geschreven worden. Het zal interessant zijn te vernemen wat exact de rol is geweest van de vele betrokkenen in dit drama: van de oud-KGB spion Velitsjko die ooit bij een Rotterdams cargadoorsbedrijf werkte tot de Nederlandse schaatscoach Gemser; van Erkels werkgever Artsen zonder Grenzen tot het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. De vraag of er losgeld is betaald, raakt een principieel punt. Moet met terroristen worden onderhandeld en, in beide betekenissen, tegen welke prijs? Boven alles uit torent Erkels veilige terugkeer. Hij was vermagerd en bebaard, maar levend en ogenschijnlijk gezond. Voor hem en zijn familie is dat het belangrijkste. Maar dat er nog een paar lastige vragen moeten worden beantwoord, laat zich raden.

Dat de Nederlandse overheid betrokken raakte bij Erkels gijzeling maakt deze deels tot een politieke zaak. Gijzelingen liggen per definitie gevoelig. Hoewel zonder aanzien des persoons het ministerie van Buitenlandse Zaken in actie dient te komen, is er verschil tussen de gegijzelde toerist die wist of behoorde te weten dat hij gevaar liep, en de militair, de hulpverlener, de diplomaat, de journalist of de zakenman die voor zijn werk in het gebied verkeert waar gijzelingen strijdwapens zijn. Ze zullen allen geholpen moeten worden, maar voor onbenul of opzettelijk riskant gedrag kan de regering de rekening aan de betrokkenen presenteren. Organisaties die hun mensen op pad sturen dienen een doorlopende veiligheidsanalyse te maken. Tot wanneer worden werknemers als Erkel gehandhaafd in risicogebieden? Is er voortdurend contact met de betrokkenen, wordt niet te veel aan het toeval overgelaten of aan het doorgaans toch al overbelaste gevoel van eigen verantwoordelijkheid? De Kaukasus staat bekend als brandhaard, als gebied dat hulp nodig heeft èn als territorium van gijzelnemers. Tussen die drie klippen is het moeilijk navigeren. Soms moet de conclusie luiden: wegblijven daar. De prijs is te hoog als het misloopt.

Het toenemend aantal vredesoperaties in onveilige gebieden, waarbij naast militairen een tros uiteenlopende veldwerkers, technici en zakenlieden actief zijn in de (weder)opbouw, vraagt om richtlijnen inzake gijzelingen. De Nederlandse militaire aanwezigheid in Irak, waar tientallen mensen de afgelopen dagen zijn gegijzeld, en in Afghanistan, waar dit oude wapen ook wel zal worden herondekt, dwingt tot meer dan een ad hoc-beleid. Iedere zaak moet op zijn eigen wijze worden afgewikkeld; zie de affaire-Erkel. Maar structureler dan tot nu toe het geval was, zal met gijzelingen rekening moeten worden gehouden. Anders gezegd: de draaiboeken dienen klaar te liggen, niet alleen bij Buitenlandse Zaken, maar ook bij de uitzendende organisaties en ondernemingen. Ook zal er meer onderlinge afstemming moeten zijn en uitwisseling van informatie met derden: landen en instellingen die eveneens werkzaam zijn in de betreffende gebieden. Gijzelingen zijn misschien niet te voorkomen, maar de risico`s kunnen wel worden beperkt. Een goede afloop blijft het hoogste doel.