Falluja stijgt tot mythische hoogte

De ongelijkwaardige strijd in Falluja maakt in Bagdad een diepe indruk en herdefinieert voor velen het karakter van de campagne tegen de Amerikaanse troepen.

De belegering van Falluja, bedoeld om een handvol extremisten in een onwillige stad te isoleren en achtervolgen, heeft in de hoofdstad Bagdad geleid tot hevig verzet. Aangespoord door pamfletten, preken en net aangebrachte graffiti die oproepen tot de jihad (heilige oorlog), verlaten jonge mannen Bagdad om deel te nemen aan een strijd die volgens de inwoners van de hoofdstad weinig te doen heeft met succes op het slagveld, en alles met een zaak die ingegeven is door rechtvaardigheid en opoffering.

,,De strijd is nu anders dan een jaar geleden. Toen vochten de Irakezen voor niets. Nu komen strijders uit heel Irak en offeren zich op'', zegt een inwoner van Falluja die zegt Abu Idris te heten en die contact zou hebben met de guerrillastrijders die de belegerde stad drie, vier keer per dag in en uit weten te glippen.

Hij staat op een parkeerterrein voor een moskee, waar enkele minuten eerder meer dan een ton aan gedoneerde etenswaar voor Falluja – zware zakken met rijst, thee en meel – door een groep mannen in lange, gele opleggers werd gelegd. Na dit werk discussiëren ze verhit over de noodzaak om deel te nemen aan de strijd tegen de vijand. Onder hen een tandarts, een gebedsleider, een rechtenstudent, een agent en een man die tot tien dagen geleden met het Amerikaanse leger meereisde als lid van het Iraakse civiele defensiekorps.

,,Onze broeders die naar Falluja zijn geweest, kwamen terug en zeiden `Oh God, het is de hemel.' Iedereen die het paradijs wil zien, zou naar Falluja moeten gaan'', zegt Abu Idris.

De ongelijkwaardige strijd 35 kilometer naar het westen – waar 2.500 Amerikaanse mariniers voor zijn ingezet – maakt hier een diepe indruk en herdefinieert voor velen in Bagdad het karakter van de campagne tegen de Amerikaanse troepen.

De intense, sympathieke en vaak uiterst grafische verslaggeving op Arabische televisiekanalen heeft het nationalisme opgeklopt. Het wordt deels opgestookt door nog niet bevestigde berichten van hoge dodentallen. Afgelopen weekeinde huilde in de huiskamer van een seculiere familie een vrouw mee met de beelden die ze zag. Uiteindelijk leunde ze naar voren en kuste het scherm.

De koppen in de Iraakse vrije pers versterken de beelden: ,,Falluja ontwaakt in een ernstige massamoord'' stond gisteren op de voorpagina van het dagblad Azzaman. Op een lange muur in de wijk Jihad, in het zuiden van Bagdad, staan de boodschappen tien meter uit elkaar: ,,Lang leve de helden van Falluja'', ,,Weg met Amerika en lang leve het Mahdi-leger'', de militie van de radicale shi'itische geestelijke Muqtada Sadr. En verderop: ,,Lang leve het verzet in Falluja'', en ,,Lang leve het verzet''.

Het algemene antwoord – zowel van shi'ieten als sunnieten die hulp en onderdak bieden aan de vluchtelingen en vrijwilligers – heeft de angst voor een Iraakse burgeroorlog naar de achtergrond geduwd. Sommigen spreken al met de geschiedenis in het achterhoofd, en zeggen dat krachtige, diep symbolische mythes worden gemaakt. ,,Wat opvalt, is dat er binnen een week zoveel is veranderd. Binnen een week'', zegt Wamid Nadhmi, hoogleraar politieke wetenschappen aan de universiteit van Bagdad. ,,Niemand kan nog spreken over de sunnitische driehoek. Niemand kan het nog serieus hebben over de sunnitisch-shi'itische tegenstelling of een burgeroorlog. De bezetters kunnen niet praten over kleine groepen van verzet. Nu gaat het om een algemene rebellie en die breidt zich uit.''

Hij voegt eraan toe: ,,Ik denk dat het groter wordt dan Karameh.'' Op 21 maart 1968 viel een Israëlische legermacht van 15.000 soldaten het Jordaanse dorp Karameh binnen. De aanval was een vergelding voor aanvallen van Palestijnse guerrillastrijders uit het dorp tegen Israël. Maar de Palestijnen dreven de Israëliërs terug met behulp van Jordaanse wapens. Voor een Arabische wereld die gewend is aan vernederende nederlagen, kan een patstelling uitgroeien tot mythische proporties. De weerstand gaf de Palestijnen nieuwe energie.

Falluja veroorzaakt een eigen mythologie. Op het parkeerterrein voor de voormalige Moeder Aller Veldslagen-moskee, wordt Abu Idr verteld over een Saoediër die naar Falluja afreisde om te vechten. Toen hij hoorde dat er een Amerikaanse sluipschutter in een minaret zat, vroeg de Saoediër om een geweer en ,,toen de man in de minaret stond, schoot hij hem dood''.

Het verslag wordt tegengesproken door de Amerikanen, waar legerofficieren infanteristen hebben gewaarschuwd dat opstandelingen vuurgevechten rond moskeeën willen uitlokken. Maar de waarheid zou wel eens op de tweede plaats kunnen komen in een hoofdstad die volledig in beslag wordt genomen door het idee dat Falluja een onrechtvaardige, collectieve straf ondergaat voor de dood en verminking van vier Amerikaanse beveiligingsagenten twee weken geleden.

,,Het is heel normaal dat veel strijders uit Bagdad naar Falluja willen gaan'', zegt Abdulqadir Mohammad Ali, een gebedsleider in de Grote Moskee in de wijk Washash. Het is een sunnitische moskee in een gemengde wijk, met een poster van Sadr aan de muur. Ali's kantoor ruikt als een bakkerij, zo vers zijn de koekjes die jonge mannen in zakken stoppen – nog meer voedsel voor Falluja. Op de achtergrond klinken de koranverzen die sinds het begin van de de belegering een week geleden uit de luidsprekers komen. Op een bankje naast een raam leest een oude man een versleten kopie van het heilige boek en snikt af en toe. Abdullah Hussein Othman, een 70-jarige Koerd, legt uit dat zijn twee dochters in Falluja wonen.

,,Het beeld dat ik wil geven, is dat er meer jonge mannen naar Falluja gaan om te vechten dan er vluchtelingen uit de stad komen'', zegt Ali. Ze verwerpen het etiket fedayeen, zoals de hardste strijders van Saddam Hussein heetten. ,,We zeggen mujahedeen'', zegt hij, Arabisch voor heilige strijders.

Schuttingtaal komt eveneens op. Veel shi'ieten herinneren een slogan die in 1991 stond op een Iraakse tank die werd ingezet bij het neerslaan van een opstand: `Na vandaag geen shi'ieten'. In de dagen na de val van Saddam verscheen her en der: `Na vandaag geen Ba'athisten', een verwijzing naar de partij van Saddam. Nu staat er in de sunnitische wijk Adhamiya een nieuwe variant te lezen: `Na vandaag geen bezetting'. Het verzet heeft ook een logo: twee vingers vormen het teken Victorie met op de achtergrond een kaart van Irak. Over de datum van de val van Bagdad, 9 april 2003, staat `Nee tegen de bezetting'. Op een poster maakt Sadr hetzelfde gebaar.

,,Ik denk niet dat eerzame Irakezen kunnen staan toekijken als vrouwen en kinderen worden gedood'', zegt Abu Ali, een koopman in de eens pro-Saddam wijk Karrada. ,,Een Irakees moet óf vechten óf het land verlaten. Het is voor hem beter om door graven te worden ontvangen dan om toe te kijken en niets te doen.''

Hoeveel Irakezen vrijwillig in Falluja zijn om te vechten, is niet makkelijk te bepalen. De man die tien dagen geleden het civiele defensiekorps verliet, zegt dat hij dertig vrienden kon opsommen. Maar een man die zich slechts Ahmed noemt, spreekt over Saoedische strijders die ,,zichzelf opofferen''. ,,Er is geen aantal groot genoeg om het leger dat de Amerikanen zal bevechten te tellen'', zegt Ahmed. ,,Het is zo groot, het is eindeloos.''

Abu Idris zegt dat sommige inwoners van Falluja volhouden dat ze geen hulp nodig hebben, waardoor de strijders ronddolen in de regio tussen de stad en Bagdad. Het gebied is een no-go zone geworden, enkele journalisten werden ontvoerd en konvooien aangevallen.

,,De mujahedeen doden alleen agenten die de Amerikanen helpen'', zegt een tiener die zich Abu Hanifa noemt. Hij glimlacht, en springt achterop een blauwe vrachtwagen met andere vrijwilligers. Op de vraag of er een foto gemaakt mag worden, lachen ze en maken het teken voor victorie. Terwijl de vrachtwagen wegrijdt, roept de tiener: ,,We zullen jullie verslaan, als God het wil.''

© Washington Post