Dutroux als symbool van de Belgische misère

Het fraai uitgegeven Vlaams-Nederlandse culturele tijdschrift Ons Erfdeel brengt onder de titel `Ik zal u geven wat u zoekt' een beschouwing over Marc Dutroux in de Vlaamse verbeelding. Bert Bultinck, taalkundige en criticus voor het dagblad De Morgen, neemt een reeks publicaties en films over Dutroux onder de loep. Hij analyseert vooral de trilogie van Tom Lanoye, bestaande uit Het goddelijke monster (1997), Zwarte tranen (1999) en Boze tongen (2002) en de roman Open gelijk een mond (1999) van Jeroen Olyslaegers. Deze werken zijn volgens hem illustraties van de manier waarop ,,de literaire verwerking van de zaak Dutroux een beeld tracht te geven van de Belgische samenleving van vandaag''.

Al snel blijkt dat Bultinck niet content is met de veelgehoorde diagnose dat de zaak-Dutroux symbool staat voor de verrotheid van de Belgische staat als zodanig. ,,Werkelijk malafide nestbevuilers suggereren zelfs dat de naam Dutroux niet alleen de perceptie van politie, politiek of justitie besmet, maar dat de affaire ook de smerige waarheid onthult van het Belgische volk zelf. Het gesjoemel zou deel zijn van de volksaard. (...) Als Louis XIV ooit zei `L'état c'est moi', dan is de Belg doortrokken van een soort mauvaise foi: `Dutroux, c'est nous'.''

De auteur van dit in een nogal stroeve academische stijl geschreven artikel noemt de `malafide nestbevuilers' niet met naam en toenaam, maar het is volstrekt duidelijk dat hij er Tom Lanoy toe rekent. Over het eerste deel van diens `monstertrilogie' schrijft hij boos dat een van de hoofdpersonen België vooral beschouwt als ,,een uiteenvallend land in het hart van Europa. Verziekt door zwijgzaamheid, verrot door gesjoemel''. En bitter voegt hij eraan toe dat Lanoye het vooral over de corruptie wil hebben. ,,Zijn trilogie laat zich dan ook lezen als een eendimensionale kritiek op La Belgique profonde.''

Over Open gelijk een mond is hij, ondanks enige verbolgenheid wegens de term `horrorshow België' in de flaptekst, beter te spreken. Doordat Jeroen Olyslaegers zich als verteller medeplichtig maakt aan misdaden, gesjoemel of geknoei zou hij niet alleen `het moraliserende vingertje' relativeren, aldus Bultinck. ,,Het bemoeilijkt ook de al te platte veralgemenende interpretatie van Dutroux als pars pro toto van de Belgische misère'', schrijft hij.

Tegenover het verdriet van België staat in dit nummer het geluk van Nederland, beschreven door voormalig staatssecretaris van Cultuur Aad Nuis. Ons Erfdeel opent met een voorpublicatie uit diens boek Op zoek naar Nederland, waarin hij de verzuilde Nederlandse samenleving van zijn jeugd oproept. Nuis, ooit behorend tot de gereformeerde zuil, vond de verzuiling uiterst aangenaam, vooral dankzij ,,de vreedzame manier waarop ondanks alle verschillen met andersdenkenden werd omgegaan''. Hij noemt Nederland `een buitengewoon homogeen land', met `betrekkelijk weinig sociale onrust' en `nooit Ierse toestanden'.

Tussen de boekbesprekingen in Ons Erfdeel valt de recensie op van Annelies Verbekes romandebuut Slaap! dat door Herbert van Uffelen wordt vergeleken met het muziekstuk Mirror in the mirror van de Estse componist Arvo Pärt.

Ons Erfdeel, april 2004. Uitg. Stichting Ons Erfdeel. Prijs 12 euro. Inl.: www.onserfdeel.be