Dichter van het alledaagse

,,Als je maar stug doordicht / word je vanzelf klassiek / en dat streef ik niet na'', dichtte Kees Winkler, die op 1 april op 76-jarige leeftijd is overleden.

,,Het moet een aardigheidje blijven / iets waar je plezier in hebt / en niet al te serieus / Het moet zó zijn / dat als je het geheel overziet / je zegt: het is nog waar ook.''

Kees Winkler, die sinds zijn debuut in 1960 elf bundels publiceerde, was een dichter van het alledaagse leven – zijn eigen alledaagse leven. Toen in 1997 zijn 750 bladzijden tellende Verzamelde gedichten verschenen, beschreef Arie van den Berg hem in deze krant als ,,een dichter over huwelijk, huis en tuin in Buitenveldert, het Herseninstituut, vakanties in Soeren, poes Eefje, ziek zijn en ouder worden. Een dichter bij wie een politiek bedoeld sonnet beginnen mag met `Ik steek een sigaar op en maak een gedicht'.''

Als literator is Winkler – in de jaren vijftig redacteur van het studentenweekblad Propria Cures – vergeleken met een plezierdichter als Cees Buddingh', maar ook met J.A. dèr Mouw en Leo Vroman; in een essay bij zijn Verzamelde gedichten schreef hij dat het er in de poëzie om gaat ,,een kleine filosofie weg te geven''.

Maar, zoals Van den Berg in zijn bespreking schreef: ,,in het voordeel van Kees Winkler mag gelden dat zijn pretenties kleiner zijn dan die van vrijwel elke andere poëet.''

Kees Winkler, die na zijn artsexamen werkte als bibliothecaris van het herseninstituut aan de Universiteit van Amsterdam, leed de laatste jaren aan de ziekte van Parkinson. Hij was sinds 1987 met de vut en schreef door met een gemiddelde van een gedicht per maand.

,,Als ik er niets voor doe'', luidt het begin van zijn gedicht `Pretentieloos', ,,komt God vanzelf naar me toe''.