Bush blijft hopen op `happy end'

Het verkiezingsjaar verloopt niet volgens de plannen van Bush. Irak eist te veel de aandacht op - de Amerikaanse president redt wat er te redden valt en blijft dromen van een happy end.

Gijzelingen, een weekeinde met 23 Amerikaanse doden, de bevelvoerende generaal die nu openlijk om troepenversterkingen vraagt. En steeds meer twijfel of vóór 11 september 2001 alles is gedaan om de aanslagen te voorkomen.

President Bush wilde van zijn leiderschap in de `oorlog tegen het terrorisme' én de democratiseringsoorlog in Irak zijn topargumenten voor herverkiezing maken. De twee oorlogen vallen in de beleving van het Amerikaanse volk steeds meer samen, maar Irak dreigt voor Bush zijn `911' te worden.

Nu er in Irak ook gijzelaars zijn genomen hebben Amerikanen weer een nachtmerrie om niet aan terug te denken: de gijzelaars in Iran van '79, het waren er veel meer, maar het presidentschap van Jimmy Carter werd er wel door beëindigd terwijl dat van president Reagan werd bezoedeld door de afwikkeling ervan.

De vergelijking met Vietnam komt al maanden op, ten onrechte, zeggen de deskundigen. Maar met iedere nieuwe week van strijd in Irak tegen iedereen die met vlaggetjes langs de weg had moeten staan, komen ook die herinneringen vol bloed en bitterheid met meer recht boven.

In Irak verloren nu 674 Amerikanen het leven, een kleinigheid vergeleken bij de verliezen in Vietnam. In beide gevallen ging een regering in Washington met een mengsel van idealisme en vermeend eigenbelang een vreemd land in met troepen die als bezetters werden gezien, slechts bevrijders in de ogen van enkelen.

De Vietnam-oorlog kon jaren in betrekkelijke stilte uitgroeien tot de ramp die de operatie werd. In Irak werd een jaar geleden een geslaagde militaire operatie uitgevoerd, die sindsdien meer doden heeft gevergd en meer twijfel heeft gezaaid aan de wereldwijsheid van de regering-Bush. Commentatoren die maanden fel uitkwamen voor de Irak-politiek van deze president wisselen al of niet openlijk met terugwerkende kracht van standpunt.

Alleen president Bush houdt vol dat ,,de situatie in Irak vooruit gaat'', zoals hij gisteren deed. Dat neemt niet weg dat hij vanavond in de vooravond, met een maximum aantal Amerikanen voor televisie, een persconferentie geeft. Het is zijn derde in prime time sinds zijn aantreden drieëneenhalf jaar geleden. De afkalvende opiniecijfers zullen er iets mee te maken hebben.

De president moet niet alleen laten zien dat hij een plan had en nog steeds heeft voor pacificatie van Irak, hij moet ook aannemelijk maken dat soevereiniteit-overdracht op 30 juni nog steeds een realistisch doel is. Hoewel, toen Bush' hoogste man in Irak, Paul Bremer, zondag werd gevraagd aan wie de sleutels zouden worden overhandigd, antwoordde hij: ,,Dat is een goede vraag.''

Tegelijk heeft Bush weerwerk te leveren op het werk-in-wording van de Commissie die de aanslagen van 11 september 2001 onderzoekt. Zaterdag gaf het Witte Huis de tekst vrij van de presidentiële briefing van 6 augustus 2001 waarin werd gewezen op het voornemen van Al-Qaeda binnen de Verenigde Staten aanslagen uit te voeren, onder andere door vliegtuigen te kapen. De commissie dwong Nationale Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice vorige week titel en strekking ervan te openbaren.

De commissie hoort vandaag de huidige en de vorige topman van de FBI, de directeur van de CIA en de huidige en de vroegere minister van Justitie, John Ashcroft en Janet Reno. Doel is een scherper beeld te krijgen van wat de veiligheidsdiensten en de justitie wisten en wat zij wanneer met die kennis hebben gedaan. Het Witte Huis heeft steeds gezegd dat juridische en bureaucratische obstakels tijdige uitwisseling van essentiële feiten belemmerden. Daarom is na `911' het ministerie van Homeland Security (Binnenlandse Veiligheid) opgericht, zei Rice vorige week nog. FBI en CIA, die bijzonder op hun zelfstandigheid zijn gesteld, vallen overigens niet onder dat superministerie.

In de veelheid van berichten en beschouwingen over wie wat wanneer wist en had moeten doen, kwam gisteren ook aan het licht dat de nu onthulde waarschuwing vervat in de presidentiële briefing van 6 augustus 2001, in mei 2002 al summier was onthuld door CBS tv. Toen en nu kleineerde het Witte Huis het belang van de waarschuwing, het was oud nieuws.

President Bush herhaalde deze lijn van verdediging, maar voegde er aan toe dat de tijd misschien toch rijp is om de diensten te hervormen. Hij zal vanavond waarschijnlijk meer zeggen langs de lijn: als ik iets concreets had gehoord, reken maar dat ik alles had gedaan om die aanslagen te voorkomen. Met de recycling van alle door de FBI niet opgepakte berichten groeit de druk een zondebok aan te wijzen. Huidige en oud-directeuren van de FBI verzetten zich bij voorbaat.

John Kerry, de presidentskandidaat van de Democraten, mengde zich vanmorgen na een lange stilte over Irak weer in het debat. Op de opiniepagina van The Washington Post verwijt hij de regering de oorlog diplomatiek zo slecht te hebben gevoerd dat buitenlandse hulp vrijwel uitblijft. Hij roept Bush op het Amerikaanse volk te zeggen waar het op staat, maar sluit zich overigens aan bij het regeringsplan bondgenoten te vinden om de klus te klaren, wat hem betreft van de NAVO.

De senator heeft zijn eigen redenen om president Bush niet echt af te vallen en hem rustig met zijn eigen problemen te laten modderen. Een deel van Kerry's achterban vergeeft hem niet vóór de oorlog te hebben gestemd, al was hij later tegen 87 miljard extra geld om door te gaan. Hij kan dus niet al te kritisch zijn. Het voordeel daarvan is dat zo'n opstelling nog wordt gezien als die van een staatsman; een voorwaarde voor Kerry om het politieke centrum in de Verenigde Staten te winnen.

Want, wat er ook dramatisch of anderszins wordt gezegd dit jaar, in november zijn de presidentsverkiezingen. President Bush had zich met het oog daarop een ander scenario voorgesteld. Vanavond geeft hij zichzelf een kans zijn gedroomde happy ending binnen bereik te houden.