...ook het kleine Nederland moet zijn kompas hervinden

Dat Europa zichzelf duidelijker moet gaan vormgeven, betekent voor Nederland dat het zijn traditionele zelfbeeld moet herzien, vervolgt Ben Knapen.

De Nederlandse verhouding tot het buitenland kent drie pijlers. Er is een sterk volkenrechtelijke traditie, met uitlopers van de vroegere missie en zending naar de huidige Ontwikkelingssamenwerking, naar engagement met de Verenigde Naties tot aan de kernactiviteit van de gemeente Den Haag, de internationale rechtspraak.

Dan is er een Atlantische oriëntatie, vooral te vinden in de defensiegemeenschap, in het grote zakenleven, maar deels ook in de cultuur meer dan de helft van alle vertaalde boeken in Nederland komt uit het Angelsaksische gebied.

Ten slotte is er een continentaal-Europese traditie, gericht op Europese integratie.

Die drie pijlers hadden en hebben met elkaar niet zoveel te maken. In een land van zuilen in plaats van een staatstraditie goochelde elk coalitiekabinet met die stromingen doorgaans tot aan een redelijk evenwicht, met bijpassende ministers en staatssecretarissen voor de diverse sectoren van het buitenland.

Deze oriëntaties zijn alledrie hun kompas kwijt; de optelsom Nederland dus ook. De resultaten van Ontwikkelingssamenwerking zijn kwestieus, de goede bedoelingen hebben in diverse gevallen aantoonbaar averechts gewerkt en het is ook geen taboe meer om dit te zeggen. De vredelievendheid van deze oriëntatie is verder ondermijnd door het verschijnsel van de failed states, waar het niet om waterputten maar om militair ordeherstel gaat. In Afghanistan doet nu de ontwikkelingswerker in de gedaante van een gewapende NAVO-soldaat zijn intrede.

Onder de Atlantische oriëntatie wordt de bodem uitgetrokken. Amerika heeft Europa niet meer zo nodig en heeft vitale belangen en prioriteiten elders. De afstand is snel groter geworden, daar helpt geen JSF of extra fotosessie in het Witte Huis aan.

En Europa ten slotte is een bron van teleurstelling. Deze teleurstelling raakt de oude federalisten en hun idealen, maar ook velen die pragmatisch blijven zoeken naar Europese maakbaarheden. Elke geestdrift is inmiddels riskant. De campagnevoerder in de aanstaande Europese verkiezingen die nog een goed woord voor de euro durft over te hebben, speelt met vuur en getuigt in elk geval van moed.

Het verlies van de coördinaten schept verlegenheid over de positie en de rol van Nederland. Dit wordt zo goed en zo kwaad als dat kan en op ambachtelijk voorbeeldige wijze door de huidige minister van Buitenlandse Zaken Bot gladgestreken. Hij houdt lijnen open, legt de juiste contacten en spreekt de juiste woorden. Dat is in zo'n ongewisse situatie al een verdienste op zich.

Maar verder is er de onheilige alliantie van assertieve nationalisten – van de man in de straat die van al die hoge heren in Brussel weinig meer moet hebben, en politici die de alledaagse assertiviteit op de buitenwereld botvieren. Het lijkt een soort veenbrand. Zij spelen met veto's, stellen paal en perk aan Europese bemoeizucht en lezen, zoals onze minister van Financiën, Italië, Frankrijk of Duitsland gevraagd en ongevraagd de les en smijten hier en daar in Europa een diplomatieke ruit in.

Dat geeft in eigen land een aangenaam gevoel van strijdbare zelfverzekerdheid, al leidt het tot niets dan tot verdere vermindering van invloed. Maar in een tijd van verdere naar binnen gerichtheid kan dat relatief straffeloos – en iedereen doet het, de Belgen, de Oostenrijkers, de Polen. Verongelijktheid is een groeimarkt.

Een van de mooiste momenten van de twintigste eeuw – de herwonnen vrijheid van Oost-Europa – heeft ook de Nederlandse regering op deze manier laten verpieteren tot kleinzielig geneuzel. Eerst onder het eerste kabinet-Balkenende, met een bijna-veto tegen een Pools lidmaatschap, en onlangs nog met barrières voor werkwillige Polen, Tsjechen en Hongaren die hier legaal – en meestal tijdelijk – willen klussen. Dat op deze manier drie geweldige partners in de Unie in recordtijd verloren zijn gegaan, deerde niemand kennelijk genoeg.

Wat te doen?

Ten eerste is het dringend geboden dat Nederland zijn zelfbeeld corrigeert. Nederland is in een vergrote Europese Unie een klein land. Het heeft geen voorkeursrelaties met de grote landen in de Unie omdat het 16 miljoen inwoners telt en founding member van de Unie was. Dat telt niet. Een klein land verwerft een speciale positie enkel en alleen op basis van geloofwaardigheid, kwaliteit en persoonlijke contacten.

Ten tweede is het voor het gezag en zelfvertrouwen van een klein land dringend geboden dat de politiek gezag herwint om aan een verantwoorde omgang met het buitenland leiding te geven. Dat raakt meer dan alleen dit onderwerp en het heeft met die Tibetaanse gebedsmolen van normen en waarden ook niet zoveel van doen. Politiek in het algemeen is gemarginaliseerd, het ontbreekt aan beelden van een maatschappij die wij ons zouden wensen en aan politici die zo'n richting belichamen. Wij leven naar een woord van de bestuurskundige Paul van 't Hart in een ,,onhistorische tijd'' waarin iedereen de hiaten met eigen sentimenten en attributen van de folklorezolder opvult. Het dialectisch discours reduceert zichzelf hierbij tot de lichtzinnige polen `leuk' versus `niet-leuk'.

Maar zonder historisch besef is elk gezag fragiel. Historisch besef is iets anders dan renationalisatie of nationalisme. Het is een gedeeld inzicht in de plaats en de context van dit land, op basis waarvan politieke leiders gelegitimeerd met kennis en inzicht kunnen handelen. Wie niet weet waar hij vandaan komt, kan moeilijk bepalen waar hij heen wil.

Voor de geloofwaardigheid is het, ten derde, dringend geboden dat Nederland zijn drie buitenlandse oriëntaties integreert tot één herkenbaar en consistent beleid. Dit moet zich bij voorkeur richten op de plaats waar enige invloed mogelijk is, namelijk Europa.

Dat raakt dan alleen nog maar het buitenlands beleid. De Unie is ook half binnenland en ook dat vergt meer interne discipline. Als regio in Europa is Nederland simpelweg te klein om de relatie met de omgeving telkens af te stemmen op het laatste coalitiecompromis zonder acht te slaan op de noodzakelijke consistentie. Het is in Europa in het groot niet anders dan in Nederland in het klein: een gemeentebestuur dat voortdurend met wisselende prioriteiten in Den Haag verschijnt, krijgt weinig voor elkaar. Interne verdeeldheid is hooguit een luxe voor grote landen, niet voor kleine.

Daarmee is geen eind gemaakt aan de impasse genaamd Europa, maar in elk geval wel aan de provinciaalse verongelijktheid jegens het eigen continent die hier school dreigt te maken. Nederland is uiteindelijk een Europees land, en geen eiland.

Rest de ambitie voor een nieuw begin. Commentatoren moeten dan een stapje opzij doen en politici met de moed om ook tegen het humeur van de dag in te gaan, worden dringend gezocht. Want nergens staat geschreven dat de impasse zelf eeuwig duurt. De zorg over de eigen identiteit, de onzekerheid over het verlies ervan, de angst voor sociaal-economische veranderingen – dit alles drijft jonge populisten en vergrijzende babyboomers naar elkaar toe.

Maar intussen groeit ook een jonge elite op die comfortabel in het Engels converseert, die ambities heeft, wil groeien en zich niet alleen met de eigen regio, maar met het grotere Europa identificeert. Alle kandidaat-commissarissen uit de nieuwe lidstaten hebben blijkens hun curriculum vitae aan buitenlandse universiteiten gestudeerd en/of gedoceerd, om maar eens een feitje aan te stippen dat niet zo goed past in de gangbare clichés. Zelfs sommige gebeurtenissen worden Europeser dan ze vroeger waren, zie de terreuraanslag in Madrid. Het publiek beschouwt dat niet meer als een Spaanse aangelegenheid, maar als iets dat ons aangaat. En ons, dat zijn wij, Europeanen.

Wat er gebeurt voorbij de impasse, is ongewis – het kan leiden tot nieuwe kopgroepen in Europa, tot het verdwijnen van onwrikbaar geachte posities, tot combinaties die volgens elke Handleiding voor een Praktisch Europa eigenlijk niet kunnen. Grenzen kunnen in een Voorhoede-Europa nog weleens heel anders worden getrokken dan wij ons nu voorstellen.

Niemand weet dat nog, maar het is veel te vroeg om Europa als Project zonder Passie definitief af te schrijven. Lijsttrekkers in de Europese verkiezingen hoeven zich in elk geval voor een paar ambities en perspectieven niet te schamen. De grijsheid van vandaag is niet `het einde van de geschiedenis'. Om een Duits spreekwoord te parafraseren: ten eerste, het gaat anders, en ten tweede, wanneer men denkt.

Ben Knapen is lid van de Nationale Adviesraad Internationale Vraagstukken