Les over `loverboys'

Een `zwarte' vmbo-school in Amsterdam mag het onderwijs ingrijpend vernieuwen. Vaste vakken als Engels zijn ingeruild voor lessen met praktisch nut.

Het vmbo – waar 60 procent van de middelbare scholieren naar toe gaat – kampt met een negatief imago. Dat wordt gevoed door gewelddadige incidenten, schrikbarende spijbelcijfers en grote aantallen leerlingen die vroegtijdig afhaken. De leerlingen hebben het stigma dat ze niet wíllen leren. Irving Raghunath, docent Engels op het Montessori College Oost in Amsterdam en initiatiefnemer van een grootse onderwijsvernieuwing op deze `zwarte' vmbo-school, draait het om: ``Wij behandelen deze jongeren als lesvee. Leerlingen moeten zich voegen naar een kant-en-klaar lesprogramma. Met hun eigen interesses en kennis die zij al hebben verworven – op straat, in een baantje – wordt geen rekening gehouden. Dat is fnuikend. Want ze wíllen wel, en ze kúnnen ook. Neem de nieuwste gsm. In een kwartiertje leren ze van elkaar hoe zo'n ding werkt. Dat is concreet, daar kunnen ze zich iets bij voorstellen, dat kunnen ze in hun wereld inpassen. Zo moet je het onderwijs dus ook inrichten.''

En dat is wat Raghunath – samen met zijn collega's – gedaan heeft. Gevoed door de overtuiging dat `zelf doen' de sleutel is tot geïnteresseerde pubers in de schoolbanken, nam hij drie jaar geleden het initiatief tot het project `Prikkel', later gevolgd door `Tarzan' en `Klim-op'. Adaptief en competentiegericht onderwijs is de officiële benaming van deze projecten, waar op deze school nu zo'n 90 van de 1.100 leerlingen aan meedoen. De projecten vinden plaats in het kader van het in 2001 gestarte overheidsproject IRS, Initiatiefrijke Scholen. Hierin krijgen ruim dertig scholen voor basis- en voortgezet onderwijs de ruimte om autonoom, met minder regels van bovenaf hun eigen gedachten over onderwijsvernieuwing te realiseren.

Adaptief competentiegericht onderwijs wil zeggen: gericht op de belangstelling en op de talenten van de leerlingen. ``Luisteren naar leerlingen is belangrijk'', zegt Raghunath. ``Als leerlingen hier binnen komen, praten we eerst over hun toekomstverwachtingen. We nemen ze serieus en zoeken zoveel mogelijk aansluiting bij wat zij willen bereiken. We kijken wat ze al kunnen en kennen op dat gebied en stippelen samen de weg uit om hun ideaal te bereiken.''

Op het MCO volgen de leerlingen in de eerste twee jaar alle lessen in één klaslokaal, de `veilige thuishaven'. Pas als de jongeren in het derde jaar een richting kiezen, gaan ze voor de practica naar de vaklokalen. Maar de thuishaven blijft. De lessen worden verzorgd door drie tot vier vaste docenten, die alle vier de schooljaren blijven. En dan de didactiek. Raghunath: ``Op school leer je heel versnipperd. Een stukje Engels, een stukje Nederlands, een stukje dit, een stukje dat. Hier willen we dat terugbrengen tot de natuurlijke gehelen. Dus worden er geen vakken gegeven, maar er wordt, samen met de leerlingen een `leerlandschap' opgesteld, waaraan ze een aantal weken tot maanden werken.''

Momenteel werken de leerlingen van Prikkel aan het leerlandschap `liefde'. Ze hebben zelf een maatschappelijk relevant onderwerp als `loverboys' aangedragen, waar een aantal leerlingen een werkstuk over maakt. Raghunath heeft de film `Shakespeare in love' op het programma gezet, in het kader van Engels en geschiedenis. In ieder leerlandschap wordt tijd ingeruimd voor de wereld buiten de schooldeuren.

Achter een van de computers in het `Prikkel-lokaal' zit Raynold (15). Hij volgt de richting elektrotechniek en wil geluidstechnicus worden, of misschien toch iets met computers gaan doen. Want zijn passies zijn verdeeld. Hij doet op het buurthuis vrijwilligerswerk als licht- en geluidstechnicus. ``Daar leer ik wel dingen die ik op school kan gebruiken, ja.'' En hij heeft zelf een computer gebouwd. ``Mijn oude was stuk, en ik had geen geld voor een nieuwe.'' Dus toog Raynold zelf aan de slag, samen met de systeembeheerder van school, een docent informatica en zijn vader.

Raynolds ervaringen laten bij uitstek zien wat Raghunath en consorten bedoelen als zij het hebben over `zelf doen'. Want doordat hij een computer ging bouwen moest Raynold Engelstalige handleidingen ontcijferen, en zette hij zich uit eigen wil aan het vak Engels. ``Ik had het gewoon nodig'', zegt Raynold schouderophalend. Voor hem heeft Prikkel in ieder geval de gewenste gevolgen gehad: ``Vroeger gooide ik mijn boeken gewoon weg, gewoon omdat ik ze te zwaar vond of zo. Daar heb ik nu wel spijt van.''

Het nadeel van de werkwijze van Raghunath en zijn collega's is wel dat langs deze vmbo-leerlingen niet zo gemakkelijk dezelfde meetlat kan worden gelegd. Zo zal Raynold vooral het Engels kennen dat hem op weg helpt naar een loopbaan in computers, maar zal iemand in de richting verzorging juist weer andere dingen leren. Raghunath ziet dat niet als een probleem, maar als winst. ``Ons onderwijs is maatwerk om de leerlingen daarheen te helpen waar ze terecht wíllen komen.''

Dat het ontbreken van een standaard voor werkgevers lastig kan zijn erkent Raghunath wel. Maar daarvoor heeft hij een pasklare oplossing: de digitale portfolio's van de leerlingen, waarin zij al hun `producten' kunnen etaleren. Zo heeft Raynold op zijn portfolio foto's staan van de productie van zijn computer, een verslag van de aanpak en beoordelingen van de betrokken docenten en zijn vader. ``Dat zegt toekomstige werkgevers veel meer dan een cijfer'', aldus Raghunath.

De drie projecten op het Montessori College Oost zijn succesvol. Het aantal spijbelaars en uitvallers is drastisch afgenomen. Vanaf volgend schooljaar wordt het systeem in alle nieuwe eerste klassen ingevoerd. De teams die deze klassen gaan begeleiden worden nu omgeschoold.

www.prikkel.mco.msa.nl