Lakwerk en kerkzilver

In het kunsthistorisch onderzoek sneuvelen de specialisten. Musea doen steeds vaker breed, multidisciplinair onderzoek dat ook voor leken toegankelijk is. En vooral tijdelijke tentoonstellingen bepalen de richting.

De belangrijkste collectie Delfts Aardewerk op aarde staat niet in Delft. De serviezen, beeldjes en kandelaars zijn verspreid over het Rijksmuseum in Amsterdam, het Gemeentemuseum in Den Haag en het museum voor Schone Kunsten in Brussel.

Voor het eerst hebben kunsthistorici, historici en archeologen van deze musea samengewerkt om onderzoek te doen naar het aardewerk. Onderzoeker Titus Eliëns: ``Tot nu toe keken kunsthistorici vooral naar stijlkenmerken en stijlverschillen tussen de diverse aardewerkfabrieken, maar ze deden nauwelijks archiefonderzoek. Wij kijken nu in hoeverre we harde historische gegevens kunnen koppelen aan onderzoek naar de objecten zelf.''

De methode is modern, interdisciplinair, en juist om die redenen is Eliëns, conservator moderne kunstnijverheid hij het gemeentemuseum den Haag, er een warm pleitbezorger van. ``Vroeger hadden we afzonderlijke conservatoren voor glas, zilver en keramiek, ook als die uit dezelfde periode stamden'', zegt hij. ``Dat leidde vaak tot een naar binnen gekeerd-zijn op deelgebieden die de kennisvermeerdering niet ten goede kwam. Het is niet nodig zeer specifieke kennis te allen tijde in eigen huis te hebben. Een museum kan die specialisten ook tijdelijk van buiten inhuren.''

Zo hebben object-kenners in het verleden op grond van stijlkenmerken van bijvoorbeeld Delfste borden verkeerde toeschrijvingen gedaan. Die worden nu door economisch en cultuurhistorisch onderzoek gecorrigeerd. Ook verricht de Technische Universiteit Delft materiaalanalyses die dateringen kunnen preciseren.

In de Nederlandse musea sneuvelen de specialismen. Voor afzonderlijke specialisten op het gebied van bijvoorbeeld aardewerk, keramiek en porselein is geen geld meer. In veel musea verdween het afgelopen decennium het conservatorschap `Edele Metalen'. In het Rijksmuseum, het museum met de meeste specialismes (27 conservatoren, van wie vijf voor kunstnijverheid), werden de aparte conservatorschappen `Aardewerk' en `Glas' samengevoegd met `Keramiek'. Generalisten, die zich in allerlei materialen hebben verdiept binnen een bepaalde periode, nemen het over. En van de specialisten díe overblijven verwacht de museumleiding dat ze met elkaar samenwerken om tot betere kunsthistorische resultaten te komen.

Daarnaast gaat het er niet meer om wat een individuele conservator interessant onderzoek vindt, maar waar het brede, betalende, publiek voor warm loopt. Komt er een tentoonstelling die massa's betalende bezoekers zal genereren, dan is er een stuk makkelijker geld te vinden voor onderzoek. En voor een mooi vormgegeven publicatie. ``Catalogi worden nu eenmaal beter gelezen dan wetenschappelijke tijdschriften en proefschriften,'' aldus Henk van Os, voormalig directeur van het Rijksmuseum en nu universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Zo geeft het Drents Museum in Assen een serie uit, geënt op zijn collectie toegepaste kunst rond 1900. Voor ontwerpers van dit serviesgoed, glas en zilver als Eisenloeffel, Lebeau en Begeer bestaat grote publieke belangstelling.

controversieel

De modernisering van het kunsthistorisch onderzoek is controversieel. Jos Koldewij, als hoogleraar kunstgeschiedenis verbonden aan de universiteit Nijmegen, ziet bezwaren. ``De Nederlandse musea drijven steeds meer op all-round conservatoren. Specialisten worden alleen op tijdelijke basis ingehuurd.'' Conservator keramiek & glas Jan Daan van Dam van het Rijksmuseum: ``Een freelance onderzoeker brengt veel kennis in maar verdwijnt weer uit de organisatie. Een arts krijgt toch in een ziekenhuis zijn opleiding om daar met die kennis aan het werk te gaan?''

De tendens om externe onderzoekers in te schakelen, is niet van gisteren. Specialisten als kunsthandelaren en privé-verzamelaars, die in de praktijk hun kennis hebben opgedaan, hebben altijd al noodzakelijke extra expertise geleverd aan musea.

Neem de freelance zilver-onderzoeker Jean-Pierre van Rijen, die volgende week de Vuurslagprijs voor kunsthistorisch onderzoek ontvangt. Volgend jaar hoopt hij te promoveren op 19de-eeuwse neo-stijlen in zilver. ``Dat was braakliggend terrein'', zegt Van Rijen. ``Tot 25 jaar geleden werd die periode in de kunstnijverheid lelijk gevonden, het aanzien en onderzoek niet waard. Ik had verwacht veel neo-gotisch kerk- en gebruikszilver aan te treffen, maar de pastoors wilden hun miskelk liever in neo-barokke trant hebben.''

nuttig

Van Rijen denkt dat zijn onderzoek nuttig kan zijn om een selectie te maken uit het vele kerkzilver dat sinds de sluiting van veel kerken en kloosters centraal is opgeslagen. ``Op grond van mijn bevindingen kan afgewogener worden besloten wat het waard is om bewaard te worden, en wat niet.''

De Vuurslagprijs voor kunsthistorisch onderzoek wordt jaarlijks uitgereikt voor specialistisch onderzoek op het gebied van de kunstnijverheid. Eerder ging de prijs (12.000 euro) naar onderzoek naar scheepssier, historische wanddecoraties, industrieel vervaardigd glas en pronkpoppenhuizen. Freelance onderzoekers en museumconservatoren komen even vaak aan bod. Van Rijen zal de de 12.000 euro gebruiken voor publicatie van zijn proefschrift.

De Onderzoeksschool Kunstgeschiedenis (OSK), die landelijk projecten voor promovendi opzet in musea, is eveneens somber over de stand van het kunsthistorisch onderzoek in kunstinstellingen. Afgelopen jaar organiseerde zij daarover een studiedag onder de titel `Wil de laatste kunsthistoricus het licht uitdoen?' De pijlen zijn vooral gericht op de verdwijning van het klassieke museumonderzoek: de beschrijving van de collectie in een bestands- of collectiecatalogus. Die bevat een volledige inventarisatie per deelcollectie, waarin van elk object afzonderlijk een gedetailleerde beschrijving (materiaal, afmetingen, herkomst, datering etc.) wordt gegeven, liefst gecompleteerd door een afbeelding.

Universiteiten snijden ook al in de specialismen. Neem de niet-westerse kunst. Er is nog maar één hoogleraar op dat gebied in het land, Christiaan Jörg, verbonden aan de Universiteit Leiden – en tien jaar geleden winnaar van de eerste Vuurslagprijs. Hij leidt als enige in Nederland nog toekomstige conservatoren Aziatische keramiek op. De vraag is of er straks nog werk is voor zijn studenten. Zelf werkte Jörg jarenlang als conservator in het Groninger Museum, maar hij krijgt geen opvolger. Op zijn plaats zoekt het Groninger Museum geld voor een `ambulante' conservator die wil samenwerken met conservatoren van het Princessehof, het Rijksmuseum en het Gemeentemuseum Den Haag. Ze zullen gezamenlijk onderzoek doen naar Aziatische Keramiek en tentoonstellingen organiseren. Voor de Nederlandse museumwereld is dat een uniek coöperatiemodel, maar het kan ook uitpakken als een verkapte bezuinigingsmaatregel: één conservator in plaats van vier.

deshima

Het werk van Jörg is een schoolvoorbeeld van zeer specialistisch onderzoek. Hij heeft zich verdiept in Japans export-lakwerk van 1550 tot 1850. Het gaat om een zeer verfijnd product dat alleen door een kleine Nederlandse elite kon worden verzameld. ``Alleen Hollanders konden het lakwerk bestellen, vanwege hun exclusieve band met het gesloten Japan via de handelsenclave Deshima'', vertelt Jörg. ``Het werd op bestelling naar Nederlandse smaak gemaakt, zonder parelmoer maar uitsluitend in goud op zwart.'' Lakwerk was er in de vorm van landschapjes, als kleine schilderijen, en in kabinetten. En vanaf eind 17de eeuw ook in de vorm van gebruiksgoed als chocoladeserviezen. ``Lakwerk was peperduur, alleen al de inkoopprijs van een kabinet bedroeg een jaarsalaris: 300 gulden.'' Mede om die reden handelde de VOC maar korte tijd in lakwerk, vanaf 1690 was de import uitsluitend in particuliere handen. ``Daardoor werd het nog exclusiever: alleen relaties van regenten konden het nog bestellen.''

lakwerk

Jörg brengt nu samen met een Engelse collega-conservator en een promovendus aan de universiteit Leiden wereldwijd de typen lakwerk tussen 1550 en 1850 in kaart – in totaal enkele honderden. In Nederland zijn er trouwens nog maar enkele lak-voorwerpen te zien in openbare collecties, waaronder 19de-eeuws hofmeubilair in Paleis Het Loo.

Die specialistische benadering staat onder druk. Voor conservatoren geldt dat duur en tijdrovend onderzoek nu meestal alleen mogelijk is als het gerelateerd is aan een op handen zijnde tentoonstelling. Toch is Bert Vreeken, conservator kunstnijverheid van het Amsterdams Historisch Museum, daar niet somber over. ``Als je het handig aanpakt ontsluit je daarmee meteen een deel van je collectie. Een aanzienlijk deel van het tentoongestelde is immers afkomstig uit eigen depot. En passant werk je daardoor aan collectie-ontsluiting.'' Vreeken is binnen het Amsterdams Historisch Museum verantwoordelijk voor de bestandscatalogi `Glas' en `Zilver'.

De musea verschillen enorm als het gaat om onderzoekspublicaties. Het Centraal Museum bracht in acht jaar tijd zes bestandscatalogi uit van deelcollecties. Het Stedelijk Museum Amsterdam daarentegen publiceert volgende maand zijn eerste bestandscatalogus: over de collectie meubelen. Daarbij is een externe onderzoeker ingeschakeld.

Errol van de Werdt, hoofd Collectie & Onderzoek van het Centraal Museum, meent dat inventarisatie en collectieontsluiting de basis van elk museum is. ``Het is van onschatbaar belang voor het museum zelf, voor de objectkennis en voor het belichten van ondergewaardeerde gebieden in deelcollecties'', stelt hij.``Ook andere musea hebben er belang bij: meer uitwisseling van collectieonderdelen en afbakening van verzamelgebieden.''

Ondanks de druk om tentoonstellingscatalogi te produceren, valt de laatste tien jaar opmerkelijk genoeg juist een toename in het aantal verschenen bestandscatalogi te constateren. Het Deltaplan Cultuurbehoud, eind jaren tachtig door het Rijk geïnitieerd om achterstanden in inventarisatie en restauratie in te lopen, en de daarop volgende digitalisering hebben de output van nieuwe collectie-inventarisaties bevorderd. Door de komst van nieuwe technische hulpmiddelen is het nu mogelijk om minuscule zilvermerken te analyseren die voorheen vrijwel onleesbaar waren. Jan Rudolph de Lorm, die als voormalig conservator Goud & Zilver van het Rijksmuseum de collectiecatalogus Amsterdams Goud & Zilver (1999) maakte, constateert: ``Bestandscatalogi hebben een omloopsnelheid van zo'n veertig jaar. Dan raken ze verouderd, door collectieaanwas én door het beschikbaar komen van nieuwe vakkennis.''

tijdvak

Naast Titus Eliëns is ook conservator Thimo te Duits, van het Rotterdamse Museum Boijmans van Beuningen, enthousiast over de moderne onderzoeksmethoden. Net als in het Gemeentemuseum Den Haag zijn de vakgebieden van conservatoren er sinds enkele jaren niet meer ingedeeld naar materialen, maar naar tijdvak. Dit maakt het makkelijker ``te denken in en te werken met de totale breedte van de verzameling'', aldus Te Duits. Dat leidt in Den Haag onder leiding van Eliëns en met hulp van externe onderzoekers tot een stroom aan publicaties over de eigen collectie waaraan gedegen onderzoek ten grondslag ligt: Wonen op de Kaap en in Batavia, Modern glas in Nederland 1880-1940, Zilver uit de tijd van de VOC.

Collectie-ontsluiting, in welke vorm ook, is duur. Errol van de Werdt van het Centraal Museum vertelt hoe voor elk deelonderzoek, plus de publicatie ervan, apart geld geworven wordt, met name bij het VSB Fonds, de Mondriaan Stichting en de Getty Foundation. Die laatste legt 200.000 euro voor multidisciplinair onderzoek op tafel, onder meer voor houtanalyses ten behoeve van de bestandscatalogus Oude Meubelen. Het Amsterdams Historisch Museum heeft een genootschap van bedrijfsbegunstigers dat zijn fondsen geheel bestemt voor onderzoek.

In het algemeen geldt dat collectie-onderzoek grotendeels op externe financiering drijft. Dat maakt bestandscatalogi kostbaar in de aanschaf. Niettemin heeft het publiek er belangstelling voor: van het lijvige Amsterdams Goud en Zilver van het Rijksmuseum was de eerste druk al snel uitverkocht. Kennelijk wil de geinteresseerde leek meer dan catalogi van vluchtige tijdelijke tentoonstellingen en heeft hij ook geld over voor de meer duurzame, degelijke collectiecatalogus.

Op de Antiekbeurs in Den Bosch zijn er dagelijks lezingen in het kader van de tiende Vuurslagprijs, o.a. door de tien winnaars over hun specialismes. Zo. 18 t/m zo. 25 april. Info: www.antiekbeurs-denbosch.nl.

Foto's boven uit: Delfts aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product, Gemeentemuseum Dan Haag, Waanders Uitgevers, Zwolle. Glas in het Amsterdams Historisch Museum en Museum Willet-Holthuysen, Amsterdams Historisch Museum, Waanders Uitgevers, Zwolle.

Foto's onder uit: Carel J.A. Begeer, 1883-1956, Drents Museum, Assen, Waanders Uitgevers, Zwolle. Keramika, nummer 2, zomer 2003, Princessehof Leeuwarden, nationaal keramiekmuseum. Hofmeubilair, Negentiende-eeuwse meubelen uit de collectie van Paleis Het Loo, Stichting Nationaal Paleis Het Loo Nationaal Museum, Apeldoorn, Waanders Uitgevers, Zwolle.