Innis Free Park

Haar hoge hakken zinken diep weg in het zompige grasveld. Met een flesje bier in de hand en twee leren tassen om haar schouders spreekt Lerato (,,dat betekent liefde, baby'') haar verbazing uit over de blanke die ze hier ziet rondstruinen. ,,Innis Free park, dat is toch het park voor de zwarte bourgeoisie'', lacht ze. Ze spreekt het woord zo uit dat het bijna Frans klinkt.

Innis Free Park is waar de zwarte, rijke, nee steenrijke jeugd van Johannesburg, zoals Lerato, accountant van beroep, elke zondagmiddag uithangt. Hier drinken, dansen, vrijen, chillen ze. Hier meten ze hun successen af aan de laatste mode en de nieuwste auto's. De Volkswagen Polo's, de Jaguars, de BMW's, uitgevoerd in cabriolet of 4x4, staan er in een hoefijzer geparkeerd. Het beeld doet denken aan Zuid-Afrika honderd jaar geleden, toen de blanke Voortrekkers hun ossenwagens in zo'n zelfde vorm parkeerden, als bescherming tegen ongewenst bezoek. Hangend uit de ramen vertellen de kersverse makelaars, dokters en aandeelhouders elkaar hier trots de verhalen over de laatste keer dat ze hun auto's onder bedreiging van een vuurwapen moesten afgeven. Ik ben gehijacked, dus ik besta.

Innis Free Park is het niemandsland tussen twee werelden, ingeklemd tussen de snelwegen die doordeweeks het platteland met de grote stad verbinden. Achter de bolle heuvelrug van het park ligt Alexandra, de blijvende herinnering aan vroeger. De open riolering kruipt er langs krotten van pallets en golfplaten.

Lerato, opgegroeid in zo'n krottenwijk, kijkt de andere kant op, in de richting waarheen de auto's wijzen met hun glimmende neuzen. Daar, achter de Jacaranda-bomen, ligt Sandton, Afrika's toekomstdroom. De hoge kantoorgebouwen met spiegelglas en winkelcentra met marmeren vloeren waren ooit alleen toegankelijk voor blanken. Tien jaar na het einde van apartheid laaft ook de zwarte elite zich daar aan de vrijheid. ,,Is het niet prachtig'', glundert Lerato. ,,Er is zoveel veranderd.''

Het verlangen naar vrijheid heeft onder de zwarte bevolking plaatsgemaakt voor het verlangen naar succes. De strijd tegen apartheid was een strijd tussen ideologieën. Marxisten tegen kapitalisten. Arm tegen rijk. Grote huizen en dure auto's waren tot tien jaar geleden het symbool van onderdrukking, en schaamteloze uitbuiting. Nu zijn autofabrikanten de zeldzame buitenlandse bedrijven die zonder enige aarzeling in Zuid-Afrika investeren. BMW spreekt elk jaar weer over stijgende verkopen, zelfs in tijden van een zwakke nationale munt. De afkorting staat voor `A Black Man's Wish', grappen Zuid-Afrikanen graag.

Er zijn cursussen goed gedrag en goede smaak voor de nieuwe rijken. Angie Ramaila van de `Trendgroep' adviseert de zwarte nouveau riche over tafelmanieren, de `juiste' kleding, de `juiste' meubels. ,,We leren ze wat minder luid te zijn in restaurants en hoe je met mes en vork eet'', zegt ze op haar kantoor in Johannesburg. Kijk je handelspartner recht in de ogen, geef geen slappe hand, blijf staan. Vergeet hoe het in Afrika gaat, waar het respectloos is een vreemde recht in de ogen te kijken en waar een bezoeker bij binnenkomst wordt geacht direct op de grond te gaan zitten. ,,Nee dit is geen verraad aan de Afrikaanse cultuur'', zegt Ramaila. ,,Zakendoen is een vak. Het draait allemaal om aanpassen.''

Tien jaar geleden had de oproerpolitie Lerato met geweld uit Innis Free Park verjaagd. Toen gingen daar de blanken uit. Er reden pantserwagens om blank van zwart vandaan te houden. In de townships was het nog volop oorlog. In de vier jaren na de vrijlating van Nelson Mandela (1990) vielen meer doden dan in de veertig jaar ervoor.

Tien jaar geleden spijkerden blanken hun ramen dicht, pompten ze hun zwembaden vol met drinkwater, en stouwden ze hun kelders vol met voorraden om maanden te overleven. Ze vreesden dat de dag des oordeels op 27 april 1994 zou vallen, de dag waarop de zwarten voor het eerst sinds mensenheugenis naar de stembus mochten. Bijltjesdag stond voor de deur.

Het is grotesk om je dat nu nog voor te stellen. Het is alsof ze in het niets zijn opgelost: de doodseskaders, de bommenleggers, de moordenaars aan weerszijden van de strijd. De blanke mannen met baarden en paarden en hakenkruizen op hun bruine shirts. Nu schudt Zuid-Afrika zelf het hoofd over de stumpers in de landen die er nog steeds niet uit zijn, Cyprus, Noord-Ierland, Israël. Vier procent van de huwelijken in Zuid-Afrika is tegenwoordig gemengd, zwart met blank. Dat lijkt weinig, maar het is vier keer meer dan tien jaar geleden, toen gemengd trouwen streng verboden was.

Tien jaar `later' resten evengoed de extremen die ten grondslag lagen aan apartheid: een Eerste en een Derde Wereld in één land, in één stad, in één wijk. De multiculturele samenleving van 45 miljoen inwoners, 35 miljoen zwarten, 4 miljoen kleurlingen, 1 miljoen Aziaten en 5 miljoen blanken, hield aan 350 jaar kolonialisme de grootste inkomensongelijkheid ter wereld over. Maar het land erfde ook de grootste economie van het continent. Zeventig procent van het inkomen bezuiden de Sahara wordt hier verdiend. Op papier heeft Zuid-Afrika de potentie het cliché van Afrika als het verloren continent te weerleggen. Als het hier niet lukt, lukt het nergens. Tien jaar later, aan de vooravond van de derde democratische verkiezingen komende week, stellen Zuid-Afrikanen zich steeds weer dezelfde vraag. Ligt de toekomst van Zuid-Afrika in Alexandra, of in Sandton?